• All governments lie, but disaster lies in wait for countries whose officials smoke the same hashish they give out.

  • I.F. Stone

zaterdag 5 augustus 2017

Ian Buruma en 'het betrekkelijk goedaardige imperialisme uit Washington' 10

In de visie van opiniemaker Ian Buruma wordt de geschiedenis bepaald door het witte, christelijke Westen, daarbij gesteund door de ‘Joden,’ met een hoofdletter omdat hij joden buiten Israel allereerst als ‘Jood’ ziet, inclusief zichzelf, aangezien zijn overgrootouders van moederskant ‘German Jews’ waren. In The New York Times Magazine van 29 november 2016 geeft Buruma onder de kop ‘The End of the Anglo-American Order’ de volgende voorstelling van zaken:

A month before Trump’s election and three months after the Brexit vote, I visited the great military historian Sir Michael Howard at his home in rural England. As a young man, Howard fought the Germans as an officer in the British Army. He landed in Italy in 1943 and took part in the decisive battle of Salerno, for which he was awarded the Military Cross. John Wayne and Kenneth More were a fantasy. Sir Michael was the real thing. He is 95 years old.

After lunch at a local pub, just a few miles from where my grandparents used to live, we talked about Brexit, the war, American politics, Europe and our families. The setting could not have been more English, with the pale autumn sun setting over the rolling hills of Berkshire. Like my great-grandparents, Sir Michael’s maternal grandparents were German Jews who moved to England, where they did very well. Like mine, his family of immigrants became utterly British. In addition to being Regius professor of history at Oxford University, Howard taught at Yale. He knows America well and has no illusions about the ‘special relationship,’ which he believes was invented by Churchill and was always much overblown.

Sitting in his drawing room, with books piled up around us, many of them about World War II, I wanted to hear his thoughts on Brexit. He replied in a tone of resigned melancholy more than outrage. Brexit, he said, ‘is accelerating the disintegration of the Western world.’ Contemplating that world, so carefully constructed after the war he fought in, he said: ‘Perhaps it was just a bubble in an ocean.’ I asked him about the special Anglo-American relationship. ‘Ah, “the special relationship,”’ he said. ‘It was a necessary myth, a bit like Christianity. But now where do we go?’

Where indeed? The last hope of the West might be Germany, the country that Michael Howard fought against and that I hated as a child. Angela Merkel’s message to Trump on the day after his victory was a perfect expression of Western values that are still worth defending. She would welcome a close cooperation with the United States, she said, but only on the basis of ‘democracy, freedom and respect for the law and the dignity of man, independent of origin, skin color, religion, gender, sexual orientation or political views.’ Merkel spoke as the true heiress of the Atlantic Charter.

Germany, too, once thought it was the exceptional nation. This ended in a worldwide catastrophe. The Germans learned their lesson. They no longer wanted to be exceptional in any way, which is why they were so keen to be embedded in a unified Europe. The last thing Germans wanted was to lead other countries, especially in any military sense. This is the way Germany’s neighbors wished it as well. Pax Americana seemed vastly preferable to a revival of German exceptionalism. I still think so. But looking once more at that photograph of the Donald and Farage, baring their teeth in glee, thumbs held high, with the gold from the elevator door glinting in their hair, I wonder whether Germany might not be compelled to question a lesson it learned a little too well.

Kennelijk is deze joodse achtergrond voor hem buitengewoon relevant, aangezien Buruma dit tweemaal laat weten: 'Like my great-grandparents, Sir Michael’s maternal grandparents were German Jews who moved to England,' en eerder in hetzelfde artikel dat ‘Jews from Russia or Lithuania, or from Germany, like my own great-grandparents, flocked to Britain as immigrants in the hope that they, too, could become English gentlemen.’ Waarom oordeelt Ian Buruma, telg van een oer-Friese familie, het van zo groot belang om tegenover het lezerspubliek van The New York Times Magazine te benadrukken dat hij van moederzijde een ‘Joodse’ achtergrond heeft? De reden is eenvoudigweg dat The New York Times een krant is met een traditiegetrouw hoog percentage joodse medewerkers, een feit dat door de redactie met de nodige zelfspot wordt behandeld, zoals ik in 1974 ontdekte toen ik de redactieburelen nabij Times Square bezocht. Door het ‘Joodse’ te beklemtonen wil Buruma het doen voorkomen dat hij er echt bij hoort. Sterker nog: de kern van zijn betoog is een waarschuwing aan de ‘Anglo-Amerikaanse Joden,’ die zo succesvol geïntegreerd zijn in de machtsstructuur dat zij nu in de VS de dienst lijken uit te maken. Niet echt natuurlijk, want er is altijd nog de ‘deep state,’ maar zolang neoconservatieve en neoliberale joodse Amerikanen en joodse Engelsen de 'deep state' blijven dienen, mogen ze meedoen, en fungeren ze als ‘shtadlonus,’ de ‘hofjoden,’ over wie Hannah Arendt schreef in haar in 1945 geschreven essay Het Zionisme Bij Nader Inzien. Want ondanks Ian Buruma’s lofzang op de ‘relatively open' zogeheten 'Anglo-Amerikaansesamenlevingen, was in werkelijkheid de situatie ondermeer als volgt:

Not until the early 1960's did Yale University end an informal admissions policy that restricted Jewish enrollment to about 10 percent, according to a new book published by Yale University Press.

The book, ‘Joining the Club,’ which began as a sophomore term paper by Dan A. Oren, a 1979 Yale graduate, documents anti-Semitism reaching from fraternity brothers to board trustees. Much of the research is based on university documents.
One document, a folder now in the university archives, labeled ‘Jewish Problem,’ contains a memo from the admissions chairman of 1922 urging limits on 'the alien and unwashed element.' The next year, the admissions committee enacted the 'Limitation of Numbers' policy, an informal quota. Jewish enrollment was held to about 10 percent for four decades.

'There were vicious, ugly forms of discrimination at Yale, as with the larger society,’ the current Yale University Secretary, John A. Wilkinson, said. 'It's part of our history, and we should face up to it.’

The book, he said, has uncovered 'what we've all suspected and some have known for a long time.’
http://www.nytimes.com/1986/03/04/nyregion/yale-s-limit-on-jewish-enrollment-lasted-until-early-1960-s-book-says.html

Natuurlijk is het eeuwenoude 'Anglo-Amerikaanse' antisemitisme niet in één klap verdwenen, het is ondergronds gegaan. Voor een aanzienlijk deel wordt het nu op de Semitische Arabieren geprojecteerd. Vanzelfsprekend kan een cultuur die zich ‘exceptionalistisch’ beschouwd, superieur aan alle andere, niet zonder een als inferieur beschouwde groep bestaan. Inmiddels geldt voor joodse Amerikanen dat zij tot ‘de club zijn toegetreden,’ zoals de titel van het bij Yale University Press uitgegeven boek luidt. Niet alleen zijn zij tot de elites toegetreden, maar zij bezitten daar een onevenredig grote invloed. Bill Clinton sprak uit ervaring toen hij verklaarde dat de joodse pressiegroep AIPAC 'beter dan wie dan ook in deze stad lobbyt… U bent verbluffend effectief geweest.’ Niemand verbaasde zich over de woorden van de oud-president, wiens verkiezingscampagnes mede door de Israëllobby werden gefinancierd en wiens Midden-Oosten politiek door rijke joodse Amerikanen sterk beïnvloed was. In 2003 omschreef de toenmalige Nationaal Veiligheidsadviseur  Condoleezza Rice AIPAC als ‘een grote aanwinst voor ons land,’ en de hoofdredacteur van het joodse dagblad The Forward, J.J. Goldberg, concludeerde dat 

Israël vooral geluk heeft dat AIPAC in dit land bestaat om Israëls zaak te vertegenwoordigen. AIPAC werkt hard om er zeker van te zijn dat Amerika in grote lijnen Israëls kijk op de wereld en het Midden-Oosten bekrachtigt… AIPAC heeft veel invloed op de buitenlandse politiek.


De Amerikaanse auteur Martin Sieff, destijds ‘Managing Editor for International Affairs’ bij het persbureau UPC, constateerde in 1999 dat de 

macht van AIPAC om financiële steun te mobiliseren voor pro-Israëlkandidaten… zo groot is dat dit jaar, zoals gebruikelijk, ongeveer de helft van de leden van de Senaat en een een derde van het Huis van Afgevaardigden verwacht worden… bij het politieke banket van AIPAC’s jaarlijkse conferentie.

In 1992 moest David Steiner als president van AIPAC terugtreden nadat was uitgelekt dat er geluidsopnamen bestonden waarop hij vertelt over zijn grote politieke invloed. Zo had hij verklaard dat hij ‘een deal had gesloten’ met de regering-Bush senior om meer geld aan Israël te geven. Hij had gezorgd voor ‘bijna een miljard dollar aan spullen,’ en ‘onderhandelde’ met de aantredende regering-Clinton over de benoeming van een pro-Israël minister van Buitenlandse Zaken. ‘Wij hebben een tiental mensen in zijn [Clintons] hoofdkwartier en ze gaan allemaal hoge posten krijgen.’ De goed geïnformeerde journalist Michael Massing schreef in The New York Review of Books dat een staflid uit het Congres hem verteld had dat ‘we op meer dan de helft van het Huis van Afgevaardigden kunnen rekenen – 250 tot 300 leden – om voor elkaar te krijgen wat AIPAC wil.’ Steven Rosen, de voormalige AIPAC-medewerker die werd aangeklaagd wegens het - naar verluidt - doorspelen van geheime Amerikaanse staatsdocumenten aan Israël, zei tijdens een diner met een journalist van The New Yorker: ‘Binnen 24 uur hebben wij de handtekeningen van 70 senatoren (van de in totaal 100, svh) op dit servet staan als dat zou moeten.’ De voormalige Democratische senator Ernest Hollings vatte de joods-zionistische invloed als volgt samen: ‘Er is geen andere Israël politiek mogelijk dan die welke AIPAC hier bepaalt.’ Het zijn al deze feiten die ertoe leidden dat Ehud Olmert als Israelische premier eens publiekelijk verklaarde: ‘Dank God dat wij AIPAC hebben, de grootste verdediger en vriend die we in de hele wereld hebben.’ Begin maart 2015 demonstreerde de Israëlische premier Netanyahu nog eens dat de joodse lobby in de VS één van de machtigste zo niet de machtigste groepering is, toen hij tijdens ‘a joint meeting of the Congress’ in totaal ‘26 standing ovations’ kreeg van de Amerikaanse volksvertegenwoordigers, terwijl toch de ‘joden’ in de VS, of in elk geval degenen die daarvoor doorgaan, slechts twee procent van de bevolking vormen. Netanyahu's vertoning, die tevens een tik op de vingers was van president Obama, werd door de joods-Amerikaanse komiek Jon Stewart veelzeggend gekwalificeerd als de 'longest blowjob a Jewish man has ever received.’ Een half jaar eerder had de Amerikaanse journalist/schrijver Chris Hedges het volgende verklaard:

I would like to begin by speaking about the people of Gaza. Their suffering is not an abstraction to me. I was the Middle East bureau chief for The New York Times. I spent seven years in the region. I speak Arabic. And for much of that time I was in Gaza, including when Israeli fighter jets and soldiers were attacking it.

I have stood over the bodies, including the bodies of children, left behind by Israeli airstrikes and assaults. I have watched mothers and fathers cradle their dead and bloodied boys and girls in their arms, convulsed by an indescribable grief, shrieking in pitiful cries to an indifferent universe.

And in this charnel house, this open-air prison where 1.8 million people, nearly half of them children, live trapped in an Israeli ghetto, I have witnessed the crimes of occupation — the food shortage, the stifling overcrowding, the contaminated water, the lack of health services, the crippling poverty, the endemic unemployment, the fear and the despair. As I have witnessed this mass of human suffering I have heard from the power elites in Jerusalem and Washington the lies told to justify state terror.

An impoverished, captive people that lack an army, a navy, an air force, mechanized units, drones, artillery and any semblance of command and control do not pose a threat to Israel. And Israel’s indiscriminate use of modern, industrial weapons to kill hundreds of innocents, wound thousands more and make tens of thousands of families homeless is not a war. It is state-sponsored terror and state-sponsored murder.

The abject failure by our political class to acknowledge this fact, a fact that to most of the rest of the world is obvious, exposes the awful banality of our political system, the cynical abandonment of the most vulnerable of the earth for campaign contributions. Money, after all, has replaced the vote.

The refusal to speak out for the people of Gaza is not tangential to our political life. The pathetic, Stalinist-like plebiscite in the [U.S.] Senate, where all 100 senators trotted out like AIPAC windup dolls to cheer on the Israeli bombing of homes, apartment blocks, schools—where hundreds of terrified families were taking shelter—water treatment plants, power stations, hospitals, and of course boys playing soccer on a beach, exposes the surrender of our political class to cash-rich lobbying groups and corporate power. The people of Gaza are expendable. They are poor. They are powerless. And they have no money. Just like the poor people of color in this country whose bodies, locked in cages, enrich the prison-industrial complex.


Juist daarom spelen de Palestijnse bevolking en de Amerikaanse moslims geen rol van betekenis in de Amerikaanse en trouwens ook in de Europese politiek. De joods-zionistische lobby is te invloedrijk. Al in 1985 verscheen een 362 pagina’s tellende studie over de buitensporige invloed van deze pressiegroep, getiteld They Dare To Speak Out. People and Institutions Confront Israel's Lobby. Het was geschreven door Paul Findley, 22 jaar lang een vooraanstaand Congreslid en 'senior member of the House Middle East Committee.' Mei 2003 verscheen bij de Chicago Review Press de volgende beschrijving van Findley’s boek:

The first book to speak out against the pervasive influence of the American-Israeli Public Affairs Committee (AIPAC) on American politics, policy, and institutions resonates today as never before. With careful documentation and specific case histories, former congressman Paul Findley demonstrates how the Israel lobby helps to shape important aspects of U.S. foreign policy and influences congressional, senatorial, and even presidential elections. Described are the undue influence AIPAC exerts in the Senate and the House and the pressure AIPAC brings to bear on university professors and journalists who seem too sympathetic to Arab and Islamic states and too critical of Israel and its policies. Along with many longtime outspoken critics, new voices speaking out include former President Jimmy Carter, U.S. Representative Cynthia McKinney, Senator Robert Byrd, prominent Arab-American Dr. Ziad Asali, Rabbi Michael Lerner, and journalist Charles Reese. In addition, the lack of open debate among politicians with regard to the U.S. policy in the Middle East is lamented, and AIPAC is blamed in part for this censorship. Connections are drawn between America’s unconditional support of Israel and the raging anti-American passions around the world — and ultimately the tragic events of 9/11. 

Paul Findley's uitgebreid gedocumenteerd onderzoek toont aan hoe Amerikaanse volksvertegenwoordigers door de pro-Israel lobby permanent onder druk worden gezet en zelfs politiek gechanteerd. Zo beschreef hij het lot van één van de belangrijkste naoorlogse senatoren, te weten William Fulbright de ‘longest serving chairman of the Senate Foreign Relations Committee’ en 30 jaar lang lid van het Amerikaanse Congres. Dat hij één van de meest gerespecteerde senatoren was uit de Amerikaanse geschiedenis blijkt tevens uit de opmerking van de bekende senator Frank Church, 'candidate for the Democratic nomination in the 1976 presidential election, losing to Jimmy Carter. He is known for heading the Church Committee, which investigated abuses in the U.S. intelligence agencies.' Church verklaarde: 'When all of us are dead, the only one they'll remember is Bill Fulbright.' Om een waarheidsgetrouw beeld te krijgen van William Fulbright, naar wie het 'prestigieuze Amerikaanse uitwisselingsprogramma voor studenten in het Hoger Onderwijs, het zogenaamde Fulbright-programma, werd genoemd,' blijf ik wat langer bij hem stilstaan. Bovendien laat zijn loopbaan zo duidelijk het verzet zien tegen de corrumpering van de Amerikaanse politiek. Eerst een fragment uit Fulbright's boek The Pentagon Propaganda Machine (1971):

Since the 1950s, as we have moved from crisis to crisis, the constitutional responsibilities of the Congress have been eroded in dangerous measure by the diversion of power to the President and the Joint Chiefs and the Department of State.

It seems to me we have grown distressingly used to war… War and the military have become a part of our environment, like pollution.

Violence is our most important product. We have been spending nearly $80 billion a year on the military, which is more than the profits of all American business, or, to make another comparison, is almost as much as the total spending of the federal, state, and local governments for health, education, old age and retirement benefits, housing, and agriculture. Until the past session of the Congress, these billions have been provided to the military with virtually no questions asked.

The military has been operating for years in that Elysium of the public relations man, a seller's market. Take the climate into which the Sentinel ABM program was introduced. Many people looked on it, as they now look on Safeguard, not as a weapon but as a means of prosperity. For the industrialist it meant profits; for the worker new jobs and the prospect of higher wages; for the politician a new installation or defense order with which to ingratiate himself with his constituents… There are 22,000 major corporate defense contractors and another 100,000 subcontractors. Defense plants or installations are located in 363 of the country's 435 congressional districts. Even before it turns its attention to the public-at-large, the military has a large and sympathetic audience for its message.

These millions of Americans who have a vested interest in the expensive weapons systems spawned by our global military involvements are as much a part of the military-industrial complex as the generals and the corporation heads. In turn they have become a powerful force for the perpetuation of those involvements, and have had an indirect influence on a weapons development policy that has driven the United States into a spiraling arms race with the Soviet Union and made us the world's major salesman of armaments…

Militarism has been creeping up on us during the past thirty years… Today we have more than 3.5 million men in uniform and nearly 28 million veterans of the armed forces in the civilian population… The American public has become so conditioned by crises, by warnings, by words that there are few, other than the young, who protest against what is happening.

The situation is such that last year Senator Allen J. Ellender of Louisiana, hardly an apostle of the New Left, felt constrained to say:

‘For almost twenty years now, many of us in the Congress have more or less blindly followed our military spokesmen. Some have become captives of the military. We are on the verge of turning into a military nation.’

This militarism that has crept up on us is bringing about profound changes in the character of our society and government-changes that are slowly undermining democratic procedure and values.
James William Fulbright. The Pentagon Propaganda Machine. 1971

Fulbright was een ware democraat, zoals ondermeer keer op keer bleek uit zijn kritische opstelling tegenover fanatisme. Paul Findley in They Dare To Speak Out:
Fulbright first gained national attention by condemning the 'swinish blight' of McCarthyism. (de heksenjacht op progressieve Amerikanen. svh) In 1954 while many Americans cheered the crusade of the Wisconsin Senator's Permanent Investigations Subcommittee, Fulbright cast the lone vote against a measure to continue the subcommittees funding. Because of this vote he was accused of being 'a Communist, a fellow traveler, an atheist, [and] a man beneath contempt.'

Fulbright opposed U.S. intervention in Cuba in 1961 and in the Dominican Republic four years later, and was ahead of his time in calling for detente with the Soviet Union and a diplomatic opening with China. When he proposed a different system for selecting presidents, Harry Truman was offended and called him 'that over-educated Oxford son of a bitch.' Twenty-five years later, in 1974, the New York Times recognized him as 'the most outspoken critic of American foreign policy of his generation. 

His deepest and most abiding interest is the advancement of international understanding through education, and thousands of young people have broadened their vision through the scholarships that bear his name. But Fulbright became well known for his outspoken opposition to the Vietnam War as 'an endless, futile war, […] debilitating and indecent' — a stand which put him at odds with a former colleague and close friend, President Lyndon B. Johnson.

Fulbright geloofde niet in de zogeheten 'dominotheorie' — de doctrine van de toenmalige westerse elites —  die ervan uitging dat het communisme alle landen in het grondstoffenrijke Zuid-Oost Azië één voor één in handen zou krijgen, zodra er maar één van die landen communistisch zou worden. Hij begreep onmiddellijk dat hier sprake was van datgene wat hij de 'arrogance of power' noemde van de Amerikaanse  politieke, economische  en financiële machthebbers. Even kritisch stond hij tegenover de verregaande zionistische invloed op de Amerikaanse buitenlandse politiek. Findley:
In 1963 Fulbright chaired an investigation that brought to public attention the exceptional tax treatment of contributions to Israel and aroused the ire of the Jewish community. The investigation was managed by Walter Pincus, a journalist Fulbright hired after reading a Pincus study of lobbying. Pincus recalls that Fulbright gave him a free hand, letting him choose the ten prime lobbying activities  to be examined and backing him throughout the controversial investigation. One of the groups chosen by Pincus, himself Jewish, was the Jewish Telegraph Agency — at that time a principal instrument of the Israeli lobby. Both Fulbright and Pincus were accused of trying to destroy the Jewish Telegraph Agency and of being anti-Semitic. 

Pincus remembers, 'Several Senators urged that the inquiry into the Jewish operation be dropped. Senators Hubert Humphrey and Bourke Hickenlooper (senior Republican on the Foreign Relations Committee) were among them. Fulbright refused.'

The Fulbright hearings also exposed the massive funding illegally channelled into the American Zionist Council by Israel. More than five million dollars had been secretly poured into the Council for spending on public relations firms and pro-Israel propaganda before Fulbright's committee closed down the operation. 

Despite his concern over the pro-Israel lobby, Fulbright took the exceptional step of recommending that the United States guarantee Israeli's borders. In a major address in 1970 he proposed an American-Israeli treaty under which the United States would commit itself to intervene militarily if necessary to 'guarantee the territory and independence of Israel' within the lands it held before the 1967 war.

Maar zoals nu duidelijk is geworden, willen de zionistische extremisten deze ‘garantie’ juist niet, omdat voor het chronisch met waterschaarste kampende Israel, de Westbank, met zijn omvangrijke aquifers, wordt geclaimd als onvervreemdbaar Joods. Vanuit die optiek moet het bericht worden geïnterpreteerd op de voorpagina van de International New York Times van dinsdag 17 maart 2015, dat 'Netanyahu says he won't back state for Palestinians.' Vandaar ook dat de grenzen van de meeste illegale Joodse nederzettingen parallel lopen met de ondergrondse watervoorraden. Findley schreef in They Dare To Speak Out over Fulbright's voorstel voor een Amerikaans-Israelisch verdrag dat de 'Joodse staat' zou beschermen:

The treaty, he said, should be a supplement to a peace settlement arranged by the United Nations. The purpose of his proposal was to destroy the arguments of those who maintained that Israel needed the captured territory for its security.

Fulbright saw Israel's withdrawal from the Arab lands it occupied in the 1967 war as the key to peace: Israel could not occupy Arab territory and have peace too. He said that Israeli policy in establishing settlements on the territories 'has been characterized by lack of flexibility and foresight.' Discounting early threats by some Arab leaders to destroy the state of Israel, Fulbright noted that both President Nasser of the United Arab Republic and King Hussein of Jordan had in effect repudiated such Draconian threats, 'but the Israelis seem not to have noticed the disavowals.'

During the 1970s Fulbright repeatedly took exception to the contention that the Middle East crisis was a test of American resolve against Soviet interventionism. In 1971 he accused Israel of 'communist-baiting humbuggery' and argued that continuing Middle East tension, in fact, only benefited Soviet interests.

Appearing on CBS television's Face the Nation in 1973, Fulbright declared that the Senate was 'subservient' to Israeli policies that were inimical to American interests. He said that the United States bore 'a very great share of the responsibility' for the continuation of Middle East violence. 'It's quite obvious [that] without the all-out support by the United States in money and weapons and so on, the Israelis couldn't do what they've been doing.'

Fulbright said that the United States failed to pressure Israel for a negotiated settlement, because:

The great majority of the Senate of the United States-somewhere around 80 percent-are completely in support of Israel, anything Israel wants. This has been demonstrated time and time again, and this has made it difficult for our government.

The senator claimed that 'Israel controls the Senate' and warned, 'We should be more concerned about the United States' interests.' Six weeks after his 'Face the Nation' appearance, Fulbright again expressed alarm over Israeli occupation of Arab territories. He charged that the United States had given Israel 'unlimited support for unlimited expansion.'

His criticism of Israeli policy caused stirrings back home. 17 Jews who had supported him in the past became restless. After years of easy election victories, trouble loomed for Fulbright in 1974. Encouraged, in part, by the growing Jewish disenchantment with Fulbright, on the eve of the deadline for filing petitions of candidacy in the Democratic primary Governor Dale Bumpers surprised the political world by becoming a challenger for Fulbright's Senate seat.

Dale Bumpers werd werd naar voren geschoven met steun van de zionistische lobby om de kritische stem van Fulbright in de Senaat tot zwijgen te brengen, zoals blijkt uit de feiten. Findley:

Following the election, a national Jewish organization actually claimed credit for the young governor's stunning upset victory. Fulbright had a copy of a memorandum circulated in May 1974 to the national board of directors of B'nai B'rith. Marked 'confidential,' the memo from Secretary-General Herman Edelsberg, announced that 'all of the indications suggest that our actions in support of Governor Bumpers will result in the ousting of Mr. Fulbright from his key position in the Senate.' Edelsberg later rejected the memorandum as 'phony.'

Following his defeat, Fulbright continued to speak out, decrying Israeli stubbornness and warning of the Israeli lobby. In a speech just before the end of his Senate term, he warned, 'Endlessly pressing the United States for money and arms-and invariably getting all and more than she asks-Israel makes bad use of a good friend.' His central concern was that the Middle East conflict might flare into nuclear war. He warned somberly that 'Israel's supporters in the United States... by underwriting intransigence, are encouraging a course which must lead toward her destruction-and just possibly ours as well.'

Pondering the future from his office three blocks north of the White House on a bright winter day in 1983, Fulbright saw little hope that Capitol Hill would effectively challenge the Israeli lobby:

'It's suicide for politicians to oppose them. The only possibility would be someone like Eisenhower, who already feels secure. Eisenhower had already made his reputation. He was already a great man in the eyes of the country, and he wasn't afraid of anybody. He said what he believed.'

Then he added a somewhat more optimistic note: 'I believe a president could do this. He wouldn't have to be named Eisenhower.' Fulbright cited a missed opportunity:

'I went to Jerry Ford after he took office in 1975. I was out of office then. I had been to the Middle East and visited with some of the leading figures. I came back and told the president, 'Look, I think these [Arab] leaders are willing to accept Israel, but the Israelis have got to go back to the 1967 borders. The problem can be solved if you are willing to take a position on it.'

Fulbright predicted that the American people would back Ford if he demanded that Israel cooperate. He reminded him that Eisenhower was reelected by a large margin immediately after he forced Israel to withdraw after invading Egypt:

'Taking a stand against Israel didn't hurt Eisenhower. He carried New York with its big Jewish population. I told Ford I didn't think he would be defeated if he put it the right way. He should say Israel had to go back to the 1967 borders; if it didn't, no more arms or money. That's just the way Eisenhower did it. And Israel would have to cooperate. And politically, in the coming campaign, I told him he should say he was for Israel, but he was for America first.'

Ford, Fulbright recalled, listened courteously but was noncommittal. 'Of course he didn't take my advice,' said Fulbright. Yet his determination in the face of such disappointment echoes through one of his last statements as a U.S. senator:

'History casts no doubt at all on the ability of human beings to deal rationally with their problems, but the greatest doubt on their will to do so. The signals of the past are thus clouded and ambiguous, suggesting hope but not confidence in the triumph of reason. With nothing to lose in any event, it seems well worth a try.' 

Fulbright died on February 9, 1995, ending one of the most illustrious careers in American politics. Reared in the segregationist South, he left an imposing legacy as a fearless, scholarly, and determined champion of human rights at home and abroad.


Fulbright's voorspelling dat ‘[i]t’s suicide for politicians to oppose' de joods-zionistische lobby is juist gebleken, zo juist dat in 2015 zelfs een Amerikaanse president in het Congres bestraffend kon worden toegesproken door een extremistische zionist als premier Netanyahu, die daarvoor beloond werd met een 'ovationele bijval,’ aldus de mainstream pers. De enige waarheidsgetrouwe conclusie is dan ook dat 'money talks' in een corrupte 'democratie.' Ian Buruma’s bewering dat de VS een ‘relatively open’ maatschappij is, negeert het feit dat een burger zonder geld, en dus zonder de juiste contacten, de weg naar de top hermetisch afgesloten ziet, tenzij hij of zij zo rücksichtslos is dat ze alles op hun weg naar boven vertrappen, ten koste van elk greintje moraliteit. Dinsdag 25 juli 2017 werd bekend dat 

[a]ll 100 senators sign letter against U.N. actions to bring Israel to account. The unusual unanimity expands on the fierce denunciation of U.N. treatment of Israel mounted by Nikki Haley, the U.S. ambassador to the United Nations, this year. The letter praises Haley for that effort, which she has said is intended to show that the United States will not ‘put up with’ the bashing of its close ally.

The United States has long been Israel’s chief defender at the United Nations, including regularly vetoing measures at the Security Council that were critical of Israel.

In December, the lame duck Obama administration chose to abstain on such a resolution, allowing it to pass. The measure addressed Jewish home building in the occupied West Bank, and the U.S. action was a sign of President Barack Obama’s deep frustration with what he saw as Israeli action that threatened an eventual peace deal.

De website ‘Mondoweiss’ meldde:

This Senate letter of last Thursday, signed by all hundred senators, berates the UN Secretary General over criticism of Israel at the U.N. and supports Ambassador Nikki Haley’s determination to root out ‘anti-Israel bias’ and ‘anti-Semitism in all its forms’ — which means undue focus of Israel. The U.N.’s actions on Israel, the senators say,

‘have at times reinforced the broader scourge of anti-Semitism.’

All 100 Senators line up behind two Trump officials. First, Nikki Haley:

‘We commend the words of our nation’s ambassador to the U.N., Nikki Haley, who recently stated, “It is the UN’s anti-Israel bias that is long overdue for change.”’

Haley made that comment in a February 17 appearance at which she characterized the UN Security Council resolution against settlements of last December, which the Obama administration allowed to pass, as a ‘terrible mistake.’ 

Zodra het de ‘Joodse staat’ Israel betreft heerst er in het Amerikaanse Congres regelmatig een kadaverdiscipline, onder zowel Democraten als Republikeinen, en getuigt — volgens de volksvertegenwoordiging — de oproep aan Israel om zich aan het internationaal recht te houden van ‘anti-Semitism.’ Het is onder de gegeven omstandigheden ondenkbaar hoeveel meer macht een kleine tribale lobbygroep kan wensen. Amerikaanse Congresleden zijn zelfs bereid om hun grondwet te schenden door het recht op meningsuiting te verbieden zodra het Israel aangaat. De zoon van een beroemde Israëlische generaal, de auteur en mensenrechten-activist Miko Peled, schreef eind juli 2017 hierover het volgende:

Repressing free speech is undemocratic, that was established in the First Amendment a long time ago, and the right to boycott is enshrined within that amendment, including the right to boycott Israeli products. It was also established long ago that all men and women, including Palestinians, are created equal and are deserving of the same rights to life liberty and the pursuit of happiness.

For many decades now, Jews around the world, including staunch Zionist Jews like the late Dr. Nahum Goldman and Professor Yishayahu Leibovitch had opposed the Israeli occupation of the West Bank and building Jewish settlements there – as have Israeli generals, former Mossad chiefs and countless lesser known Jewish people. But over the last fifty years consecutive Israeli governments of all parties have built Jewish settlements in the West Bank and no amount of talking and negotiating has made the slightest difference.

Israel claims that it has a small Arab minority sometimes called ‘The Arabs of Israel’ and that they enjoy full citizenship rights. However, these are Palestinian Arabs and although they hold Israeli citizenship they do not enjoy the same rights as Israeli Jewish citizens. They live in separate cities and separate communities, go to different schools are given far less opportunities and poverty levels are considerably higher among them. From laws that limit who they may marry and where they may live to laws that limit their right to commemorate the ‘Naqba,’ the catastrophe that befell Palestinians when Israel was established, Palestinian citizens of Israel face discrimination at every stage of their lives, and still Israeli law makers continue to pass laws that discriminate against them at an alarming speed.

The Right of Return of Palestinians who were displaced in 1948 has been enshrined in article 11 of UN resolution 194. Furthermore, according to a report by the UN Economic and Social Commission for Western Asia the Law of Return, ‘conferring on Jews worldwide the right to enter Israel and obtain Israeli citizenship regardless of their countries of origin and whether or not they can show links to Israel-Palestine, while withholding any comparable right from Palestinians, including those with documented ancestral homes in the country.’ This was correctly referred to as a policy of ‘demographic engineering meant to uphold Israel’s status as the Jewish state.’

BDS have arguably become the three most controversial letters in the alphabet. Representing the call by Palestinian civil society to impose boycott, to divest and to impose sanctions on the State of Israel and companies that profit from the Israeli occupation. This call seeks to remedy the three conditions described above without harming or depriving anyone of their rights. BDS is controversial mostly because the call has been widely misrepresented. But the demands of the BDS movement neither express or intend any racism or violence towards anyone, they are as follows:

1 Ending the occupation.
2 Equal rights to all Palestinians.
3 Return of the Palestinian refugees.

According to a letter submitted by the ACLU to members of the US Senate, ’S. 720 Israel Anti-Boycott Act is a bill that seeks to criminalize the call for BDS.’ It states that it ‘would punish businesses and individuals based solely on their political point of view’ and ‘Such a penalty is in direct violation of the First Amendment.’ The letter ends by urging senators to oppose the bill.

In speech made by Senator Chuck Schumer (joodse Democraat. svh), one of the co-sponsors of this bill, regarding BDS at the American Jewish Committee’s Global Forum on June 5, 2017, the Senator from New York said, ‘There is no greater example than this insidious effort to harm the Jewish state than through the boycotts, divestment and sanctions.’ However, in reading the demands of the BDS call, it is clear that its goals are to improve the conditions which Israel has imposed on Palestinians and to repair inequities which Israeli governments are unwilling to address. There is no question that all efforts to get Israel to repair the inequities without pressure, had been exhausted.

Schumer refers to BDS as ‘a modern form of anti-Semitism.’ Indeed, a modern form which does not incite against Jews, does not call for the killing of or discrimination against Jews but instead demands that all people who reside in Palestine/Israel enjoy the same rights and privileges.

De hierboven beschreven realiteit werpt een scherp licht op Ian Buruma’s artikel in The New York Times, waarin hij zich, als zoon van een joodse moeder, in de rol van potentiële slachtoffer plaatst. De strekking van zijn verhaal is namelijk kortweg dat ‘Joden,’ net als zijn voorouders, naar ‘relatief open’ Angelsaksische samenlevingen emigreerden om daar ware yankees of ‘English gentlemen’ te kunnen worden, maar dat zij nu door de opkomst van fenomenen als Trump en Farage geconfronteerd worden met het versnellen van ‘the disintegration of the Western world.’ Die ‘desintegratie van de westerse wereld’ bedreigt de positie van de oude machtselites, waardoor ondermeer de rol van de ‘shtadlonus,’ de vroegere ‘hofjoden’ die volgens Hannah Arendt alleen kunnen gedijen zodra ze een beschermheer hebben, uitgespeeld raakt. De houding van Ian Buruma roept een wezenlijke vraag op die door de sociale wetenschappen herhaaldelijk is gesteld, namelijk de vraag of de mens in een geglobaliseerde wereld in staat is tribale loyaliteiten te overstijgen, en werkelijk bij machte is om universele waarden universeel toe te passen. Daarover later meer. 




Ian Buruma en 'het betrekkelijk goedaardige imperialisme uit Washington' 9

Oh Karl the world isn't fair
It isn't and never will be
They tried out your plan
It brought misery instead
If you'd seen how they worked it
You'd be glad you were dead
Just like I'm glad I'm living in the land of the free
Where the rich just get richer
And the poor you don't ever have to see
It would depress us, Karl
Because we care
That the world still isn't fair
Randy Newman. The World Isn't Fair. 1999


In The New York Times van 29 november 2016 stelde opiniemaker Ian Buruma: 

Tocqueville’s admiring account of American democracy in the 1830s is well known. Much less famous are his writings on Britain in the same period. Born soon after the French Revolution, Tocqueville was haunted by the question of why Britain, with its mighty aristocracy, was spared such an upheaval. Why did the British people not rebel? His answer was that the social system in Britain was just open enough to allow a person to hope that with hard work, ingenuity and luck, he could rise in society. The British version of the American dream: ‘The Great Gatsby’ may be the great American novel, but Gatsby could have existed in Britain too.

De vorige keer heb ik aan de hand van Tocqueville’s uitspraken proberen duidelijk te maken dat Buruma’s stellige bewering over deze Franse aristocraat onjuist is, en meer zegt over zijn bewondering voor de VS dan wat anders. Dit keer wil ik de volgende bewering tegen het licht houden, namelijk dat 

[t]he British version of the American dream: ‘The Great Gatsby’ may be the great American novel, but Gatsby could have existed in Britain too.

Deze opinie tracht hij te onderbouwen door het volgende voorbeeld:

In practice, there were probably not all that many rags-to-riches stories in 19th-century Britain. But the fact that Benjamin Disraeli, the son of Sephardic Jews, could become prime minister, and an earl, no less, provided the basis for many generations in Europe to believe in Britain as an exceptional country. Jews from Russia or Lithuania, or from Germany, like my own great-grandparents, flocked to Britain as immigrants in the hope that they, too, could become English gentlemen.

Anglophilia, like the American dream, may have been based on myths, but myths can be potent and long-lasting. The notion that sufficient effort and talent can beat the odds has been especially important in Britain and the United States. Anglo-American capitalism can be harsh in many ways, but because free markets are receptive to new talent and cheap labor, they have spawned the kind of societies, pragmatic and relatively open, where immigrants can thrive, the very kind that rulers of more closed, communitarian, autocratic societies tend to despise.

Kortom, omdat een zoon van ‘sefardische joden,’ die in werkelijkheid geen joden meer waren, in Groot Brittannië ‘prime minister, and an earl, no less,’ kon worden, betekent volgens Buruma dat hier sprake is van een ‘relatively open’ systeem, ‘where immigrants can thrive, the very kind that rulers of more closed, communitarian, autocratic societies tend to despise.’ Dat Benjamin Disraeli premier kon worden is een magere basis om tot zo’n verstrekkende conclusie te komen, zeker als de lezer weet dat Benjamin Disraeli 

played a central role in the creation of the modern Conservative Party, defining its policies and its broad outreach. Disraeli is remembered for his influential voice in world affairs, his political battles with the Liberal Party leader William Ewart Gladstone, and his one-nation conservatism or ‘Tory democracy.’ He made the Conservatives the party most identified with the glory and power of the British Empire.

Interessanter nog is het feit dat ‘the son of Sephardic Jews,’ geen ‘zoon van sefardische joden’ was, omdat ‘[h]is father left Judaism after a dispute at his synagogue; young Benjamin became an Anglican at the age of 12.’ Met andere woorden: Benjamin Disraeli was geen ‘jood,’ maar een christen. Ik gebruik met nadruk het woord ‘jood’ met een kleine letter, omdat Disraeli zich Brit beschouwde en zich dus niet rekende tot het ‘Joodse volk.’ Overigens, niet anders dan vele andere ‘joden’ buiten Israel, die zichzelf niet zien als behorend tot het ‘Joodse volk.’ Alleen bepaalde protestants-christelijke sekten, nazi’s en de zionisten beschouwen het joods-zijn als genetisch, iets dat in het bloed zit. Hoe Ian Buruma, die een ‘joodse’ moeder had, het joods-zijn definieert, weet ik niet precies. Ik weet wel dat hij regelmatig jodendom en anti-semitisme er met de haren bij sleept, zoals ook in dit geval. Waarom Disraeli een politieke carrière kon maken, is simpelweg dat hij als christen een succesvolle en meedogenloze imperialist was, zoals ondermeer uit het volgende blijkt: 

Disraeli had passed near Suez in his tour of the Middle East in his youth, and on taking office, recognizing the British interest in the canal as a gateway to India, he sent the Liberal MP Nathan Rothschild to Paris to enquire about buying de Lesseps's shares. On 14 November 1875, the editor of the Pall Mall Gazette, Frederick Greenwood, learned from London banker Henry Oppenheim that the Khedive was seeking to sell his shares in the Suez Canal Company to a French firm. Greenwood quickly told Lord Derby, the Foreign Secretary, who notified Disraeli. The Prime Minister moved immediately to secure the shares. On 23 November, the Khedive offered to sell the shares for 100,000,000 francs. Rather than seek the aid of the Bank of England, Disraeli asked Lionel de Rothschild to loan funds. Rothschild did so and controversially took a commission on the deal. The banker's capital was at risk as Parliament could have refused to ratify the transaction. The contract for purchase was signed at Cairo on 25 November and the shares deposited at the British consulate the following day.

Disraeli told the Queen, ‘it is settled; you have it, madam!’ The public saw the venture as a daring British statement of its dominance of the seas. Sir Ian Malcolm described the Suez Canal share purchase as ‘the greatest romance of Mr. Disraeli's romantic career.’ In the following decades, the security of the Suez Canal, as the pathway to India, became a major focus of British foreign policy. A later Foreign Secretary, Lord Curzon, described the canal in 1909 as ‘the determining influence of every considerable movement of British power to the east and south of the Mediterranean.’ 

De conclusie kan niet anders zijn dan dat Ian Buruma de werkelijkheid mystificeert, in een poging zijn ideologische visie te onderbouwen. Zijn hele betoog is gebaseerd op mythologisering. Het Westen heeft namelijk joden altijd gebruikt zolang ze bruikbaar waren, en vervolgd zodra dit politiek opportuun leek. In wezen vindt nu precies hetzelfde proces plaats. Om dit te begrijpen moet de lezer weten dat in 1937 de Vader des Vaderlands David Ben-Goerion in een brief aan zijn zoon schreef ‘We must expel Arabs and take their places.’ In 1947 en 1948 vond de etnische zuivering plaats van Israel en een deel van het gebied dat de Verenigde Naties aan de Palestijnse bevolking had toegewezen.  67 jaar later stelde Israel’s meest prominente historicus, Benny Morris dat 'Ben-Gurion was right... Without the uprooting of the Palestinians a Jewish state would not have arisen here.’ De in de VS en Israel gerespecteerdeMorris voegde hieraan toe:

Ik denk dat [Ben-Goerion] in 1948 een ernstige historische fout maakte. Hoewel hij het demografische vraagstuk begreep en de noodzaak van het vestigen van een joodse straat zonder een grote Arabische minderheid, werd hij tijdens de oorlog bang. Op het laatst aarzelde hij… Ik weet dat dit de Arabieren en de ruim denkenden en de politiek correcte types verbijsterd. Maar mijn gevoel is dat deze plaats rustiger zou zijn en minder lijden zou kennen als de zaak eens en voor altijd opgelost was geweest… Als aan het eind van het liedje mistroostig blijkt te zijn voor de joden dan zal dit zijn omdat Ben Goerion de verplaatsing in 1948 niet voltooide. Omdat hij een groot en veranderlijke demografische reserve op de Westbank en Gaza en binnen Israël zelf achterliet. 

Het etnisch zuiveren van het voormalige Britse mandaatgebied Palestina wordt zelfs door gematigde Joodse Israeli’s gezien als een ‘verplaatsing,’ een eufemisme voor een oorlogsmisdaad, die onbestraft blijft. Daarbij worden de zionisten gesteund door zowel de VS als de Europese Unie. Nederlandse parlementsleden bijvoorbeeld hebben er geen enkele moeite mee Nederlandse militairen te laten oefenen in Israel hoe ‘urban warfare’ tegen een burgerbevolking in de toekomst het meest doeltreffend kan worden uitgevoerd, terwijl de NAVO Israelische nucleaire onderzeeboten, uitgerust met kernwapens, laat deelnemen aan oefeningen in de Perzische Golf. De wrange ironie is dat de Joden in Israel, geen vrij volk zijn, maar zich in de positie hebben gemanoeuvreerd van de oude Europese 'hofjoden,' een onmogelijke situatie die al in oktober 1945 door Hannah Arendt werd voorzien toen zij in haar essay Het Zionisme Bij Nader Inzien het volgende uiteenzette:

Het eindresultaat van vijftig jaar zionistische politiek is belichaamd in de recente resolutie van de grootste en invloedrijkste afdeling van de Zionistische Wereldorganisatie. Tijdens de laatste jaarlijkse conventie in Atlantic City in oktober 1944 namen Amerikaanse zionisten van links tot rechts unaniem de eis aan voor een ‘'vrije en democratische joodse staat… [die] geheel Palestina zal omvatten, onverdeeld en onverminderd.’ Dit is een keerpunt in de zionistische geschiedenis, want het betekent dat het revisionistische programma, zo lang en bitter verworpen, uiteindelijk gewonnen heeft. De resolutie van Atlantic City gaat zelfs een stap verder dan het Biltmore Programma (1942), waarin de joodse minderheid minderheidsrechten had toegekend aan de Arabische meerderheid. Ditmaal werden de Arabieren in de resolutie simpelweg niet genoemd, wat hun — dat moge duidelijk zijn — de keuze laat tussen vrijwillige emigratie of tweederangs burgerschap… Deze doelen blijken nu volledig identiek te zijn aan die van de extremisten wat betreft de toekomstige politieke inrichting van Palestina. Het is de doodsklap voor die joodse groeperingen in Palestina zelf die onvermoeibaar hebben gepleit voor een vergelijk tussen de Arabische en de joodse bevolking. Anderzijds zal het de meerderheid onder het leiderschap van Ben-Goerion aanzienlijk versterken… Door de resolutie zo bot te verwoorden op een moment dat hun geschikt leek, hebben de zionisten voor een lange tijd iedere kans op onderhandelingen met de Arabieren verspeeld, want wat de zionisten ook mogen aanbieden, ze zullen niet vertrouwd worden. Dit zet op zijn beurt de deur wijd open voor een macht van buiten om het heft in handen te nemen zonder de twee meest betrokken partijen te raadplegen. De zionisten hebben nu daadwerkelijk alles gedaan om een onoplosbaar ‘tragisch conflict’ te creëren, dat alleen kan worden beëindigd door het doorhakken van de Gordiaanse knoop. Het zou erg naïef zijn om te geloven dat het doorhakken van de knoop altijd in het voordeel van de joden zou uitpakken en ook is er geen enkele reden om aan te nemen dat het zou resulteren in een duurzame oplossing.

Uit deze analyse trok Arendt de volgende profetische conclusie:

Een dergelijke onafhankelijkheid, zo werd geloofd, kon het Joodse volk bereiken onder de vleugels van elke grootmacht sterk genoeg om zijn ontwikkeling te beschermen. Paradoxaal als het mag klinken, maar juist deze nationalistische misvatting dat een natie een inherente onafhankelijkheid bezit, had tot gevolg dat de zionisten de joodse nationale emancipatie volledig afhankelijk maakten van de materiële belangen van een andere natie. Het feitelijke resultaat was een terugkeer van de nieuwe beweging naar de traditionele methoden van shtadlonus (de vroegere 'hofjoden' die allerlei Europese vorsten financieel ten dienste stonden. svh), die de zionisten ooit eens zo bitter hadden gehaat en zo fel hadden gehekeld. Nu kenden ook de zionisten politiek gesproken geen betere plaats meer dan de foyers van de machtigen en ze kenden geen betere basis voor hun overeenkomsten dan de goede diensten aan te bieden als agenten van buitenlandse belangen […] Als de joden in Palestina kunnen worden belast met de taak om voor een deel zorg te dragen voor de Amerikaanse belangen in dat gedeelte van de wereld dan zou inderdaad de fameuze uitspraak van opperrechter Brandeis nog bewaarheid worden: men moet een zionist zijn om een perfecte Amerikaanse patriot te zijn […] Maar slechts dwaasheid kan een beleid dicteren dat vertrouwt op bescherming van een verre imperiale macht terwijl het de welwillendheid van de buren verspeelt […] Welk programma hebben de zionisten te bieden voor een oplossing van het Arabisch-joodse conflict?

Hannah Arendt heeft gelijk gekregen, opnieuw spelen de Joden in Israel de rol van 'shtadlonus' voor de belangen van de westerse elites. Opnieuw worden Joden gebruikt en zijn ze daarvan zelf de dupe geworden. Zoals de visionaire Arendt benadrukte, door de Palestijnen te verdrijven zou de haat alleen maar toenemen, terwijl Israel alleen kan overleven door

bij een buitenlandse macht bescherming te zoeken dan wel een functionerend vergelijk met hun buren moeten sluiten […] de zionisten [zullen] als zij de Mediterrane volken blijven negeren en slechts rekening houden met grootmachten ver weg, alleen maar hun werktuigen blijken, de agenten van vreemde en vijandelijke belangen. Joden die hun eigen geschiedenis kennen zouden zich bewust moeten zijn dat een dergelijke stand van zaken onvermijdelijk zal leiden tot een nieuwe golf van jodenhaat; het antisemitisme van morgen zal verklaren dat joden niet enkel profiteerden van de aanwezigheid van de vreemde mogendheden in die regio, maar dat zij in feite deze hadden beraamd en daarom de schuld dragen voor de consequenties ervan […] De joden die ‘realistisch' proberen mee te doen aan de koehandel van de door oliebelangen geregeerde politiek in het Midden-Oosten, zullen zich net zo ongemakkelijk voelen als mensen met een hartstocht voor de koehandel, maar niet over koeien noch geld beschikken en besluiten om bij gebrek aan beide het grandioos geschreeuw te imiteren waarmee doorgaans deze opzichtige transacties vergezeld gaan,

aldus Hannah Arendt, een zioniste van het eerste uur. Met andere woorden: wanneer Ian Buruma beweert dat ‘Benjamin Disraeli, the son of Sephardic Jews, could become prime minister, and an earl, no less,’ en daaraan de conclusie verbindt dat Engeland een ‘pragmatic and relatively open,’samenleving is, ‘where immigrants can thrive, the very kind that rulers of more closed, communitarian, autocratic societies tend to despise,’ dan is dit in zoverre waar dat zolang de joden gebruikt kunnen worden voor de doeleinden van de  elite, zij een graantje mogen meepikken. Daarentegen werden -- en worden nog steeds -- dissidente en revolutionaire joden zoals Emma Goldman en Rosa Luxemburg gehaat en veracht, beiden werden door de mainstream-media gecriminaliseerd, eerstgenoemde werd uit de VS verbannen, terwijl Rosa Luxemburg in Duitsland op gruwelijke wijze werd vermoord. Zolang ‘joden’ de elitebelangen dienen en functioneren als 'shtadlonus,' worden ze door de 'powers that be' getolereerd. Het huidige filosemitisme is voor een aanzienlijk deel gebaseerd op niets anders dan de haat tegen de semitische Arabieren. Zo verklaarde Evelien Gans, bijzonder hoogleraar Hedendaags Jodendom aan de Universiteit van Amsterdam en onderzoeker aan het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie, tegenover de NRC:

De strijd tegen het antisemitisme is verworden tot ideologie tegen moslims.

Filosemitisme valt te beschouwen als gespiegeld antisemitisme. Beide hebben een mening over Joden die is gebaseerd op het loutere feit van hun Joods-zijn. Antisemieten verachten of haten Joden, qualitate qua. Filosemieten waarderen of verheerlijken Joden, met hetzelfde argument. Filosemitisme kan, net als antisemitisme, uitsluitend dienen om bepaalde, al dan niet politieke doeleinden te realiseren die niets of weinig te maken hebben met Joden. Zo is het een wijdverbreid misverstand dat de PVV per definitie pro-Israël is — de partij identificeert zich met (extreem-)rechts in dat land. Ook is het twijfelachtig of de partij daadwerkelijk filosemitisch is. Zij komt immers alleen op voor een jodendom dat beantwoordt aan haar eigen criteria en voor Joden die het gedachtegoed van de PVV min of meer delen. De ‘joods-christelijke traditie’ als fundament van Europa, waarop — niet alleen — de PVV zich beroept, is een mythe. Joden werden in christelijk Europa juist buitengesloten en vervolgd. De omarming door onder meer de PVV van de Joodse traditie als essentiële, politiek-culturele bouwsteen van Europa dient in de eerste plaats als handvat tegen de islam, moslimimmigranten en de aansluiting van Turkije bij de Europese Unie. 

Dit alles verzwijgt Buruma, domweg omdat deze feiten niet passen in zijn Angelsaksische mythe over een ‘relatively open,’ samenleving, waarbij ‘The Great Gatsby may be the great American novel, but Gatsby could have existed in Britain too.’ De laatste bewering verraadt ook nog eens onwetendheid, want behalve voor de bioscoopbezoeker die betoverd raakte door de glitter en glamour van de Hollywood-versie van The Great Gatsby, handelt dit meesterwerk van Scott Fitzgerald niet over een ‘relatief open’ samenleving, waarin door hard werken — in Buruma’s voorstelling van zaken — zelfs ‘de zoon van sefardische joden’ de top kon bereiken. The Great Gatsby draait om iets heel anders, namelijk om ‘a new thinking out of the idea of illusion,’ zoals Fitzgerald zelf al in 1924 schreef over zijn nog niet verschenen boek. Zijn roman is een magistrale afrekening met de American Dream,’ en als zodanig juist precies het tegenovergestelde van wat Buruma impliceert. The Great Gatsby speelt zich af in een tijd waarin de massamaatschappij haar definitieve vorm kreeg en ‘Gatsby’s dream… our dream too’ werd. ‘Gatsby, divided between power and dream, comes inevitably to stand for America itself. Ours is the only nation that prides itself upon a dream,’ aldus Lionel Trilling, de vooraanstaande Amerikaanse literatuurcriticus, die Scott Fitzgerald ‘the spokesman and symbol’ noemde van ‘his own restless generation.’ Iemand die The Great Gatsby niet heeft gelezen of heeft begrepen, — een roman ‘we have to deal with ever afterward’ — kan onmogelijk de Amerikaanse cultuur van de twintigste eeuw doorgronden, en dat is dan ook één van de redenen waarom Buruma’s analyse de noodzakelijke diepte mist. Wijlen Norman Holmes Pearson, die verbonden was aan Yale University, merkte in Critical Essays on F. Scott Fitzgerald's The Great Gatsby (1984) het volgende op over de rijke parasieten en hun aanhang die The Great Gatsby bevolken:

The stimulation of these people who dance their lives comes from outside rather than inside of themselves, as though their will did not count but only the helpless stimulation of the senses as they are played upon by the winds of the band. This is not the Gay Twenties, when youth was free, but a time of illness and disease,

een narcistische tijd waarin het moderne reclamejargon al snel versleten raakte door het misbruik van de taal, en waarin Gatsby

the uncontrolled romantic [is], his is the American Dream of succes. Into his ambition, he has absorbed what a man like Benjamin Franklin, through his Autobiography, has come to stand for as an image: that a man can be what he makes himself to be,

iemand die met geld een nieuwe ‘identiteit’ meende te kunnen kopen, aldus Pearson. Tegelijkertijd wees Ross Posnock, hoogleraar Engels aan Columbia University, in dit verband erop dat Fitzgerald

was not glibly posturing when he stated late in life that his outlook was ‘essentially Marxian,’

wat ondermeer duidelijk wordt wanneer Marx’s uiteenzetting over ‘commodity fetishism’ wordt getoetst aan Gatsby’s wereld, met die aantekening dat Fitzgerald 

does not share their abhorrence of capitalism. Fitzgerald’s notorious ambivalence toward the rich was vital to his artistic power, for his double consciousness permitted him not to expose the hidden corruption of their society but to reveal the seductive allure of what he indicted. 


In 1924, een jaar voordat The Great Gatsby verscheen, verklaarde Fitzgerald dat hij een ‘pessimist [en] een communist’ was ‘with Nietzschean overtones.’ De in een bankiersgezin geboren marxistische filosoof George Lukacs wees erop dat tegenstrijdigheden een onlosmakelijk onderdeel zijn van ‘the nature of capitalism,’ en het besef dat die contradicties bestaan is geen ‘sign of imperfect understanding of society,’ maar juist de cruciale stap om de ‘illusions enveloping all phenomena in capitalist society,’ te kunnen doorgronden. Posnock voegde hieraan toe:

Strikingly, Fitzgerald’s conflicting images of the individual suggested in his 1924 statement recall a central contradiction that Lukacs finds in capitalism: ‘the fact that the bourgeoisie endowed the individual with an unprecedented importance, but at the same time that same individuality was annihilated by the economic conditions to which it was subjected by the reification (verzakelijking. svh) created by commodity production… The novel’s account of man’s relation to society… profoundly agrees with Marx’s great discovery that it is social reality rather than individual consciousness that determines man’s existence.

De kapitalistische massamaatschappij zoals die in de jaren twintig haar definitieve vorm kreeg wordt door Buruma bewonderd, zonder te beseffen dat deze ideologie weliswaar het individualisme verheerlijkt maar tegelijkertijd het conformisme afdwingt. Professor Posnock:

Far from trivial, commodities are ‘mystical,’ because they originate as ‘the products of men’s hands,’ yet ‘appear as independent beings endowed with life,’ Marx maintains. ‘This I call the Fetishism which attaches itself to the products of labor, so soon as they are produced as commodities, and which is therefore inseparable from the production of commodities.’ Capitalism, since it is founded on commodity exchange and production, forces the worker himself to become a thing to be bought and used. Yet not only the worker, Marx insists, but ‘everything… is sold as objects of exhange… everything had been transformed into a commercial commodity.’

The Great Gatsby gaat dus niet over een ‘relatively open’ samenleving, maar in feite over de vervreemding van de moderne mens in een consumptiemaatschappij, waarin de markt de mens vormt.  Opnieuw Ross Posnock:

Inevitably, then, in capitalism social relations acquire a commodified character, as people become objects for each other, sized up as commodities to be bought or sold. This condition Lukacs calls reification: Marx alienation designates the more general phenomenon of dehumanization. Crucial in understanding reification is to recognize it as a process if mystification invisible to the individual, who acts under the illusion of being a wholly free and autonomous subject, while in fact existing more as a manipulated object of larger economic and commercial powers. Instead of seeming abnormal and dehumanized, reification always appears natural, absolutely objective, and thus conceals the historic specific form of capitalist social relations. In short, the condition of reification imposes a ‘blanket ignorance upon anyone trying to understand capitalism.’ Bourgeois society enforces a veil over all contradictions in an effort to maintain the illusion that capitalism is ‘eternally valid… predestined to eternal survival by the eternal laws of nature and reason. Thus the task of philosophy, according to Marx, is to demystify, to ‘unmask human self-alienation’ endemic to capitalism.’  […] And in the realm of fiction no American novelist, with the exception of Henry James, has dramatized more vividly and subtly than Fitzgerald the insidious extent to which money deforms human life.

Fitzgerald schreef voor een geschoold publiek dat de vervreemding uit eigen ervaring kende, en nog steeds niet helemaal vergiftigd was door het materialisme als concretisering van de ‘American Dream.’ Zoals de Amerikaanse schrijfster Mary McCarthy in 1962 schreef:

The inalienable rights to life, liberty, and the pursuit of happiness appear, in practice, to have become the inalienable rights to a bathtub, a flush toilet, and a can of Spam.

Hij had begrepen welke magische rol geld op elk niveau van de Amerikaanse samenleving speelt. Posnock:

Money, says Marx, ‘since it has the property of purchasing everything… is the object par excellence.’ Money is the most mystifying, fantastic commodity of all. Describing its magical powers, Marx, in the 1844 manuscripts, provides a most relevant frame of reference for understanding the ‘purposeless splendor’ and ‘foul dust’ of Gatsby’s world. One brief example from Marx’s exuberant catalog of instances must suffice. ‘I am ugly, but I can buy the most beautiful woman for myself. Consequently, I am not ugly, for the effect of my ugliness, its power to repel, is annulled by money… Does not my money, therefore, transform all my incapacities into their opposites?’ This power to transform and invert is precisely what is terrifying for Marx, and a source of the incoherence of capitalist social reality. Because money ‘exchanges every quality and object for every other, even though they are contradictory, it forces contraries to embrace’: ‘It confounds and exchanges everything, it is universal confusion and transposition of all things, the inverted world, the confusion and transposition of all natural and human qualities.’ The moral, emotional, and spiritual chaos unleashed by money is at the center of The Great Gatsby.

Nogmaals: deze roman heeft niet als thema een relatively open’ cultuur, maar juist het tegenovergestelde ervan. Het centrale thema is de duidelijk gestratificeerde kapitalistische maatschappij die zich aanprijst als een almaar vrijere samenleving. Deze mythe is het product van de Vooruitgangsideologie van de Verlichting. Hoewel serieuze intellectuelen al geruime tijd deze mythe hebben doorgeprikt, zijn er altijd nog propagandisten — als Ian Buruma — die krampachtig de laatste restanten van dit geloof blijven verdedigen. Daarentegen wees de Duitse historicus Joachim Fest in zijn verslag van een reis door Zuid- en Midden-Italië, getiteld Tegenlicht, op het feit dat

[o]veral waar men het begrip noodlot in twijfel heeft getrokken als achterlijk, maakt zich bij alles wat het individu overkomt een verbijsterde radeloosheid van hem meester. Hij meent te weten dat alles wat er gebeurt een benoembare oorzaak heeft, en als er oorzaken zijn, dan moeten er ook schuldigen gevonden kunnen worden. En de mens van heden brengt zijn leven, met toenemende verontwaardiging, door met het zoeken naar die schuldigen... In dit verband hoort thuis dat, zoals antropologen weten, het zoeken naar schuldigen een kenmerkende reactie van primitieve volkeren is.

In 1972 wees de Amerikaanse emeritus hoogleraar Kermit W. Moyer in een essay er nog eens op dat

among recent critics at least, a strong consensus [is] that The Great Gatsby must be understood as a meditation on American history.

Moyer citeerde in dit verband wijlen Edwin Fussel, die als hoogleraar Engels aan de Universiteit van Californië in 1963 had geschreven dat

roughly speaking Fitzgerald’s basic plot is the history of the New World… more precisely, of the human imagination in the New World.

Moyer voegde hieraan toe met betrekking tot de continuïteit in de Amerikaanse geschiedenis dat:

Fitzgerald’s subject in The Great Gatsby, Fussell insisted, is not the Jazz Age or the Lost Generation, ‘but the whole of American civilization as it culminated in his own time.’ This sort of historical approach to the novel has since become more or less standard… James E. Miller, Jr., talked about ‘the gradual expansion of the significance of Gatsby’s dream,’ an expansion which Miller saw as encompassing ‘the dream of those who discovered and settled the American continent.’ In 1958 another Fitzgerald scholar, John R. Kuehl, described The Great Gatsby as ‘a sort of cultural-historical allegory.’ Still more recently, Richard Lehan has claimed that in The Great Gatsby ‘We move from a personal sphere (a story of unrequited love), to a historical level (the hope and idealism of the frontier and of democracy in conflict with a rapacious and destructive materialism.)’ Finally, Robert Sklar maintains that ‘the whole of American experience takes on the character of Gatsby’s romantic quest and tragic failure,’

terwijl tenslotte

Fitzgerald originally conceived of Gatsby as an historical novel set in the Gilded Age: ‘It’s locale,’ he wrote Maxwell Perkins, ‘will be the middle west and New York of 1885 I think.’

Kortom, de geschiedenis van de grootschalige politieke en ambtelijke corruptie in de ‘relatively open’Verenigde Staten, en de diefstal van gemeenschapsbezit door de negentiende eeuwse Robber Barons, om nog maar te zwijgen over de genocide op de Indianen en de vaak gewelddadige Amerikaanse interventies in bijvoorbeeld Latijns-Amerika, China en de Filipijnen. Uit Buruma’s eigen woorden valt op te maken dat hij de finesses van de teloorgang van de ‘Amerikaanse Droom’ niet aanvoelt, want:

Gatsby’s story is a mirror which reflects an image of American History… Fitzgerald makes this parallel between Gatsby’s history and American’s history explicit on the last page of the novel:

‘Most of the big shore places were closed now and there were hardly any lights except the shadowy, moving glow of a ferryboat across the Sound. And as the moon rose higher the inessential houses began to melt away until gradually I became aware of the old island here (Long Island, nabij Manhattan) that flowered once for Dutch sailors’ eyes – afresh, green breast of the new world. Its vanished trees, the trees that had made way for Gatsby’s house, had once pandered in whispers to the last and greatest of all human dreams; for a transitory enchanted moment man must have held his breath in the presence of this continent, compelled into an aesthetic contemplation he neither understood nor desired, face to face for the last time in history with something commensurate to his capacity to wonder.’

Just as Daisy flowered for Gatsby, so the new world flowered for the Europeans who touched her shore; in both cases, for one electric moment, the material world promised to fulfill the imagination’s deepest longings,

aldus de Amerikaanse auteur Kermit Moyer, wiens dissertatie handelde over ‘The Historical Perspective of F. Scott Fitzgerald.’

Maar dit 'transitory enchanted moment man must have held his breath in the presence of this continent' stierf onder de totalitaire heerschappij van het puriteinse christendom dat de materie, de natuur en het lichaam, verafschuwt en tegelijkertijd begeert met zo’n bezetenheid dat alles dat in de weg lijkt te staan nog steeds wordt vernietigd. Daaraan ten grondslag ligt de diep gewortelde pathologische angst voor de wildernis, voor de natuur, voor alles dat een eigen stem heeft, zoals de Indianen al snel beseften nadat de eerste blanken voet aan wal hadden gezet. Opperhoofd Luther Standing Bear, een Sioux Indiaan verwoordde dit zo:

Wij beschouwden de grote open vlaktes, de prachtige golvende heuvels, en de kronkelende stromen met struikgewas, niet als ‘wild.’ Alleen voor de witte man was de natuur een ‘wildernis’ en alleen voor hem was het land ‘vergeven’ van ‘wilde’ dieren en ‘wilde’ mensen. Voor ons waren ze tam. De aarde was overvloedig, wij werden omringd door de zegeningen van het Grote Mysterie. Pas toen de harige man uit het oosten kwam en met brute razernij ons en onze families die we lief hadden groot onrecht aandeed, werd de natuur voor ons ‘wild.’ Toen de dieren in het woud voor zijn komst op de vlucht gingen, pas toen begon voor ons het ‘Wilde Westen.’  

Maar toen was het land ook niet meer van hen, het was met geweld in handen gevallen van de witte christelijke speculanten -- zoals de eerste president van de VS en rijkste man van het land -- die het verkochten aan al even witte christelijke boeren. Vanaf toen raakte de natuur en de witte kolonist steeds meer ontzield. En dat wat ontzield is, bezit geen stem in het bewustzijn van de nakomelingen van Europese christen die ook zichzelf ontzielden in hun expansionistische jacht op de ‘Amerikaanse Droom.’ Scott Fitzgerald over Jay Gatsby:

He had come a long way to his blue lawn, and his dream must have seemed so close that he could hardly fail to grasp it. He did not know that it was already behind him, somewhere back in that vast obscurity beyond the city, where the dark fields of the republic rolled on under the night.

Professor Moyer:

Gatsby’s dream, the dream inspired by Daisy, is here identified with the dream which pushed the frontier ever westward. The assumption contained in this identification is that, like Gatsby’s history, American history has been the record of a futile attempt to retrieve and sustain a moment of imaginative intensity and promise. By reaching into the future, by pushing continually up against the receding frontier, we have tried to recapture that original sense of wonder evoked when the whole continent was a frontier – that original sense of wonder which soured because its evocation was essentially meretricious, a reading of spiritual; transcendental promise into mere materiality. So we struggle on against the current of time only to be ‘borne back ceaselessly into the past’: our vain effort to seize the lost moment of promise by reaching to the future creates the fabric of our history.

De grote Amerikaanse dichter en filosoof Henry Thoreau omschreef in de negentiende eeuw deze drijfveer als volgt: ‘Eastward I go only by force; but westward I go free,’  een sentiment dat de lezer ook aantreft in de beroemd geworden lezing The Significance of the Frontier uit 1893 van de Amerikaanse historicus Jackson Turner, waarin hij verklaarde dat de ‘frontier’ de ‘democratie’ in stand hield door ‘a gate of escape from the bondage of the past.’ Nog steeds proberen opiniemakers als Buruma de vlucht vooruit, het escapisme uit het benauwende nu, te rechtvaardigen. 

Kort samengevat: of Buruma heeft The Great Gatsby niet gelezen, of hij is niet in staat tot de kern van het boek door te dringen. Hoe dan ook, daardoor is zijn hele betoog op losse schroeven komen te staan. In tegenstelling tot wat hij suggereert is Gatsby geen winner, die zijn eigen lot bepaalde, maar een looser die door zijn eigen illusies door het noodlot werd getroffenIn The Great Gatsby beschreef Fitzgerald in 1925 de teloorgang van de Amerikaanse illusie. Kermit W. Moyer benadrukt dat

[i]n the light of Fitzgerald’s historical perspective in this novel, the dead end was inevitable from the start: as the frontier disappeared, as the possibility of making the virgin land fulfill its first intense promise passed, American materialism increasingly became just that — simple, spiritless materialism, un-regenerative and omnivorous. Gatsby (embodying the complete historical progression) inevitably arrives at this dead end himself. Near the close of the novel, Gatsby waits amidst shattered hopes for Daisy’s telephone call, the call that never comes.

Daisy is de vrouw, van wie Gatsby meent te houden. Maar in werkelijkheid is hij verliefd op de geïdealiseerde herinnering aan haar, een droombeeld van het verleden. Het is alles een vorm van zelfbedrog, net als dat van de 'Amerikaanse Droom,' die een existentiële leegte moet verhullen. Gatsby is niet in staat zichzelf te creëren. Binnen deze context zette Moyer uiteen dat de Amerikaanse pionier de ware erfgenaam was van

Dutch sailors; he inherited their transcendental spark and the promise of the frontier kept the spark alive; but after pursuing that promise all the way to the Pacific Ocean, he discovered that it had somehow eluded him, and he was left with nothing but the material which had fed the flame. He was rich but that was all: direction was gone, meaning was gone; the dream began to turn back upon itself… the inheritance is essentially empty.

Ook dit maakt duidelijk dat Gatsby een typisch Amerikaans fenomeen is, onlosmakelijk verbonden met de mythe van de ‘American Dream,’ en dat Buruma’s bewering dat ‘Gatsby could have existed in Britain too’ niet berust op kennis van zaken, maar op pure onwetendheid. Daarover meer de volgende keer.


This is what I think now: that the natural state of the sentient adult is a qualified unhappiness. I think also that in an adult the desire to be finer in grain than you are, ‘a constant striving’ (as those people say who gain their bread by saying it) only adds to this unhappiness in the end – that end that comes to our youth and hope. My own happiness in the past often approached such an ecstasy that I could not share it even with the person dearest to me but had to walk it away in quiet streets and lanes with only fragments of it to distil into little lines in books – and I think that my happiness, or talent for self-delusion or what you will, was an exception. It was not the natural thing but the unnatural – unnatural as the Boom; and my recent experience parallels the wave of despair that swept the nation when the Boom was over.


-- F. Scott Fitzgerald. The Crack-Up. 1931