• All governments lie, but disaster lies in wait for countries whose officials smoke the same hashish they give out.

  • I.F. Stone

vrijdag 28 juli 2017

Ian Buruma en 'het betrekkelijk goedaardige imperialisme uit Washington' 8

In NRC Handelsblad van vrijdag 9 juni 2017 verklaarde de journalist Ian Buruma onder de kop ‘Pax Americana nadert haar einde’ met grote stelligheid dat ‘we ons [zullen] moeten voorbereiden op een tijd waarin we met weemoed terugkijken op het betrekkelijk goedaardige imperialisme uit Washington.’

Desgevraagd liet Buruma weten dat hij met ‘we’ doelde op de meeste ‘west Europeanen.’ Aangezien er ongeveer 240 miljoen mensen in West-Europa leven en de aarde ruim 7 miljard inwoners telt, betreft het hier dus een kleine minderheid, van wie Buruma aanneemt dat ze allen in de toekomst ‘met weemoed’ zullen ‘terugkijken op het betrekkelijk goedaardige imperialisme uit Washington.’ Gezien het feit dat West-Europa sinds 1945 uitbundig van het Amerikaans imperialisme heeft geprofiteerd is niet duidelijk wat Buruma precies bedoelt met ‘betrekkelijk goedaardig imperialisme,’ zeker niet wanneer ‘we’ daar ook nog eens ‘met weemoed’ op gaan ‘terugkijken.’  Ik vermoed dat ook hij beseft dat ‘goedaardig imperialisme’ per definitie onmogelijk is, maar dat hij als bewonderaar van de VS, en als broodschrijver, financieel afhankelijk is van dit imperium. Hij ziet zich gedwongen zowel de macht als zijn lezerspubliek te vriend te houden, vandaar het begrip ‘betrekkelijk.’ Hoe dan ook, gezien vanuit de overgrote meerderheid van de wereldbevolking blijft ‘betrekkelijk goedaardig imperialisme’ een leugen, aangezien dit ‘imperialisme’ nu eenmaal een systeem in stand houdt dat acht individuen zo rijk heeft gemaakt dat zij nu evenveel bezitten als de helft van de hele mensheid tezamen. Vanzelfsprekend kan dit neoliberale kapitalisme nooit zonder grootschalig geweld tot stand zijn gekomen en in stand worden gehouden. Dat begrijpt ook Ian Buruma. 

Het is algemeen bekend dat de westerse mainstream-pers een commerciële taak heeft, namelijk het maken van winst voor de aandeelhouders van de media. Daarnaast bezit zij tevens als taak erop toe te zien dat de maatschappelijke status quo blijft gehandhaafd. Zoals de Amerikaanse auteur A. J. Liebling in 1960 in The New Yorker dan ook constateerde: ‘Freedom of the press is guaranteed only to those who own one.’  Alleen auteurs bezitten de vrijheid de ‘waarheid’ op te schrijven. In The Freedom of the Press wees George Orwell al in 1945 op de volgende feiten die door de mainstream-media angstvallig worden verzwegen:

The sinister fact about literary censorship in England is that it is largely voluntary.

Unpopular ideas can be silenced, and inconvenient facts kept dark, without the need for any official ban. Anyone who has lived long in a foreign country will know of instances of sensational items of news — things which on their own merits would get the big headlines — being kept right out of the British press, not because the Government intervened but because of a general tacit agreement that ‘it wouldn’t do’ to mention that particular fact. So far as the daily newspapers go, this is easy to understand. The British press is extremely centralized, and most of it is owned by wealthy men who have every motive to be dishonest on certain important topics. But the same kind of veiled censorship also operates in books and periodicals, as well as in plays, films and radio. At any given moment there is an orthodoxy, a body of ideas which it is assumed that all right-thinking people will accept without question. It is not exactly forbidden to say this, that or the other, but it is ‘not done’ to say it, just as in mid-Victorian times it was ‘not done’ to mention trousers in the presence of a lady. Anyone who challenges the prevailing orthodoxy finds himself silenced with surprising effectiveness. A genuinely unfashionable opinion is almost never given a fair hearing, either in the popular press or in the highbrow periodicals.

Wereldwijd functioneren journalisten van de commerciële massamedia als de ‘termieten van de reductie,’ zoals de auteur Milan Kundera hen noemden, ’termieten' die zelfs ‘de grootste liefde terugbrengen tot een geraamte van schrale herinneringen.’ En wel omdat ze:

[o]ver de hele wereld dezelfde simplificaties en cliché’s uit[strooien], waarvan mag worden aangenomen dat ze door de meerderheid zullen worden aanvaard, door allen, door de hele mensheid. En het is niet zo belangrijk dat in de verschillende organen van de media de verschillende politieke belangen tot uiting komen. Achter het uiterlijke verschil heerst een en dezelfde geest. Je hoeft de Amerikaanse en Europese opiniebladen maar door te kijken, van rechts zowel als links, van Time tot Der Spiegel: in al die bladen tref je dezelfde kijk op het leven aan, die zich in dezelfde volgorde waarin hun inhoudsopgave is opgebouwd weerspiegelt, in dezelfde rubrieken, dezelfde journalistieke aanpak, dezelfde woordkeus en stijl, in dezelfde artistieke voorkeuren en in dezelfde hiërarchie van wat ze belangrijk en onbeduidend achten. De gemeenschappelijke geestesgesteldheid van de massamedia, die schuilgaat achter hun politieke verscheidenheid is de geest van de tijd. 

De voormalig New York Times-correspondent, Chris Hedges schreef in juni 2016:

In our system of inverted totalitarianism, the political philosopher Sheldon Wolin pointed out, the object is to demobilize the citizenry, to render it apathetic, to convince the citizen that all political activity that does not take place within the narrow boundaries defined by the corporate state is futile. This is a message hammered into public consciousness by the corporate media, which serve as highly paid courtiers to the corporate elites. It is championed by the two parties that offer up fear of the other as their primary political platform.

Donald Trump and Hillary Clinton hold the highest candidate disapproval ratings in American history—in that order. These two candidates, the system insists, are the only ‘rational’ options. Step outside the system and you are disappeared or ridiculed. Acceptable political opinions, as Wolin wrote, are ‘measurable responses to questions predesigned to elicit them.’ We vote, in the end, for skillfully manufactured personalities. Neither Trump nor Clinton in office will hinder corporate hegemony. Nothing will change until we revolt, until we defy the corporate system, until we wake from our civic stupor. The goal of the elites is to keep us pacified.

‘The crucial element that sets off inverted totalitarianism from Nazism is that while the latter imposed a regime of mobilization upon its citizenry, inverted totalitarianism works to depoliticize its citizens, thus paying a left-handed compliment to the prior experience of democratization,’ Wolin wrote in ‘Politics and Vision’: 

‘Where the Nazis strove to give the masses a sense of collective power and confidence, Kraft durch Freude (or “strength through joy”), the inverted regime promotes a sense of weakness, collective futility that culminates in the erosion of the democratic faith, in political apathy and the privatization of the self. Where the Nazis wanted a continuously mobilized society that would support its masters without complaint and enthusiastically vote “yes” at the managed plebiscites, the elite of inverted totalitarianism wants a politically demobilized society that hardly votes at all.’

De commentaren van die intellectuelen laten zien hoe ‘betrekkelijk’ Ian Buruma’s voorspelling is dat ‘we ons [zullen] moeten voorbereiden op een tijd waarin we met weemoed terugkijken op het betrekkelijk goedaardige imperialisme uit Washington.’ Zijn bewondering voor de Verenigde Staten blijkt tevens uit het volgende:

Tocqueville’s admiring account of American democracy in the 1830s is well known. Much less famous are his writings on Britain in the same period. Born soon after the French Revolution, Tocqueville was haunted by the question of why Britain, with its mighty aristocracy, was spared such an upheaval. Why did the British people not rebel? His answer was that the social system in Britain was just open enough to allow a person to hope that with hard work, ingenuity and luck, he could rise in society. The British version of the American dream: ‘The Great Gatsby’ may be the great American novel, but Gatsby could have existed in Britain too.

Ik beperk me tot twee van Buruma's beweringen, te weten: ‘Tocqueville’s admiring account of American democracy,’ en ‘The Great Gatsby may be the great American novel, but Gatsby could have existed in Britain too.’  Ik weet niet of mijn goede kennis Buruma de twee delen van Tocqueville’s Democracy in America (1835 and 1840) intensief heeft bestudeerd, maar ik vrees het ergste, want de stelligheid van ook deze bewerking is, laten we zeggen, ‘betrekkelijk.’ Zo meldt de -- zelfs voor Nederlandse journalisten makkelijk toegankelijke -- website Wikipedia het volgende:

Voor- en tegenstanders van de democratie volgden de Verenigde Staten met argusogen. Doorheen de geschiedenis haalde die meestal een slechte pers. Zowel klassieke auteurs als verlichtingsdenkers stonden afwijzend tegenover de idee dat het volk zichzelf kon besturen. De Franse revolutie leek het gelijk van de sceptici te bewijzen: democratie ontaardde in anarchie en dictatuur. Desalniettemin herkende Alexis de Tocqueville in Europa een democratiseringsbeweging, een proces dat hij als onvermijdelijk beschouwde.

Hij waarschuwde voor de democratische schaduwzijden:

Vrijheid en gelijkheid staan op gespannen voet met elkaar. Een te grote vrijheid gaat ten koste van de gelijkheid en andersom
De tirannie van de meerderheid kan minderheden verdrukken waardoor die hun toevlucht zoeken in geweld
De meerderheid kan hier eveneens het slachtoffer van worden door de neiging tot conformisme, centralisatie en de individualisering.

Wanneer ik denk aan de vorm die deze nieuwe tirannie zal aannemen, zie ik voor mij een massa van in alle opzichten gelijke mensen die rusteloos onbeduidende en banale genoegens najagen; die op zichzelf zijn teruggeplooid, die zich louter op hun gezin en een handvol kennissen richten en die zich van het bestaan van andere mensen nauwelijks bewust zijn, die nog slechts op zichzelf en voor zichzelf leven. Boven deze geïndividualiseerde massa troont een bevoogdend machtsapparaat dat over het wel en wee waakt, dat alles voorziet en alles regelt, maar dat de mensen in een staat van onmondigheid houdt. Het garandeert de burgers een veilig en welverzorgd bestaan, maar staat er op zelf uit te maken wat goed is voor hen. Zo zullen de mensen steeds minder gebruikmaken van hun eigen oordeelskracht; de individuele wilskracht zal zich op een steeds beperkter terrein laten terugdringen.
— uit Over de democratie in Amerika

De idee dat een 'democratie zich democratisch kan opheffen' is terug te vinden in Tocqueville's werken, alsmede De Republiek van Plato. Om een absoluut en despotisch regime te vermijden, stelt Tocqueville maatregelen voor. Zo moet het bestuur niet volledig in handen van de overheid zijn, maar deels uitgevoerd worden door tijdelijk verkozen bestuursambtenaren. Vereniging van burgers, persvrijheid en onafhankelijke rechtspraak zijn belangrijk om te grote staatsmacht te voorkomen.

De overheid zal de samenleving in een net spannen van ingewikkelde, gedetailleerde en eenvormige verordeningen waardoor zelfs de meest originele en wilskrachtige geesten zullen worden gelijkgeschakeld. Men zal mensen tot niets dwingen, maar men zal zoveel belemmeringen aan de persoonlijke activiteiten opleggen, dat uiteindelijk elk initiatief uitdooft. Zonder op enigerlei wijze tiranniek te moeten optreden, worden mensen monddood en willoos gemaakt. De natie zal een kudde angstige en vlijtige schapen worden, met de overheid als zorgzame herder. Deze vorm van gereglementeerde en gemoedelijke slavernij komt tot stand in de schaduw van de volkssoevereiniteit.
— uit Over de democratie in Amerika


Met andere woorden: de stelligheid waarmee Buruma poneert dat er sprake is van ‘Tocqueville’s admiring account of American democracy’ is, op haar minst, onjuist. In 2015 schreef ik op mijn weblog het volgende:

Tocqueville's visie was juist dat 

[h]oe gelijker de standen worden, hoe minder sterk de mensen individueel zijn, des te gemakkelijker laten zij zich meeslepen door de massa en des te moeilijker houden zij als enigen vast aan een opvatting die door die massa is verlaten. 

Vandaar ook het belang van de westerse elite de massamedia in handen te hebben om de berichtgeving te kunnen sturen, een zaak die steeds problematischer wordt aangezien de inkomsten uit reclame almaar dalen. Omdat 'advertising pays for most of a newspaper's costs' en de publieke omroepen in bijvoorbeeld Nederland voor 'eenderde uit reclamegelden' worden gefinancierd, zal duidelijk zijn welk stempel de commercie op de berichtgeving kan drukken. Het 'privé-belang' van de elite kan en wordt ook beschermd tegen wat de mainstream-journalist ziet als de 'grillen' van de meerderheid. Zonder 'kranten' is 'gemeenschappelijk handelen' inderdaad onmogelijk. Naarmate de kennis en het inzicht van het individu verzwakt, wordt hij ontvankelijker voor de officieel verordonneerde 'waarheid.' Daaraan verbond Tocqueville de conclusie dat het 'rijk van de kranten' moest 'groeien.' Hoe groter de massa des te meer mensen onder het beheer van de media-propaganda moesten worden gesteld, om te voorkomen dat de samenleving onbeheersbaar zou worden, waardoor de belangen van de elite zouden worden geschaad. Steeds urgenter werd de vraag:

hoe men de orde in een grote groep mensen handhaaft en op welke manier men hen eensgezind en methodisch naar hetzelfde doel doet opmarcheren. Zij leren er hun wil te onderwerpen aan die van alle anderen en hun eigen inspanningen ondergeschikt te maken aan het gemeenschappelijk optreden,

aldus Tocqueville. Van centraal belang daarbij was en is nog steeds het bewaren van de zogeheten 'sociale vrede,' in de almaar gestratificeerdere kapitalistische maatschappij. Daarbij ging Tocqueville ervan uit 

dat een natie de burgers altijd het absolute recht kan verlenen om politieke associaties op te richten, en ik betwijfel zelfs of het in enig land en enig tijdperk wijs zou zijn geen grenzen te stellen aan de vrijheid van associatie. 

Een volk, zo zegt men, kan de binnenlandse vrede niet handhaven, geen eerbied voor de wet afdwingen en geen duurzaam staatsbestel tot stand brengen, als het aan het recht van associatie geen zeer strikte beperkingen oplegt.

De aristocraat in Tocqueville bleef huiverig voor datgene wat een democratie stelt te zijn, de heerschappij van het volk. De vraag voor de politieke en economische elite is overal en altijd:

hoe men de orde in een grote groep mensen handhaaft en op welke manier men hen eensgezind en methodisch naar hetzelfde doel doet opmarcheren,

en zodoende 

hun eigen inspanningen ondergeschikt te maken aan het gemeenschappelijk optreden,

wat in de praktijk wil zeggen: 'ondergeschikt aan' de belangen van degenen die de macht in handen hebben, en daarmee bepalen wat onder algemeen belang moet worden verstaan. Tocqueville schreef dit alles toen de VS slechts 17 miljoen inwoners telde, nog geen 6 procent van het huidige bevolkingsaantal. Zijn boek wordt nog steeds in vele talen gelezen door de 'politiek-literaire elite,' en kreeg in de Nederlandse vertaling 'een uitgebreide nabeschouwing' van Andreas Kinneging, de conservatieve hoogleraar rechtsfilosofie van de Universiteit Leiden, die ondermeer actief was als ghostwriter van de VVD-neoliberaal Frits Bolkestein. Om dit milieu te typeren, de volgende anecdote: Kinneging's echtgenote betoogde in het televisieprogramma Buitenhof dat journalisten die als doel hebben politici belachelijk te maken, geweerd zouden moeten worden. Kinneging zelf stelt dat 

Tocqueville's invloed wereldwijd is. Zijn boeken zijn in alle grote en veel kleine talen vertaald, vaak meerdere keren. En overal op de wereld wordt zijn werk gelezen en wordt erover geschreven…

Edities die veelal indachtig worden gelezen of zelfs bestudeerd, in ieder geval ten dele, door mensen die invloed hebben of later zullen krijgen. Een aantal van hen schrijft zelf boeken, mede geïnspireerd door de lezing van Tocqueville. Boeken die soms invloedrijk zijn. Conclusie: Tocqueville is invloedrijk, maar hoe de lijnen precies lopen weten we niet zo goed. 



Veelbetekenend is dat professor Kinneging het volgende concludeert:

Net als de traditie geeft Tocqueville in zijn hart de voorkeur aan aristocratie boven democratie. Maar hij is ervan overtuigd dat de tijd van de aristocratie voorbij is. De toekomst is aan de democratie. Daar is niets aan te doen. Daarom moet men zich niet tegen de democratie verzetten, meent hij, maar nadenken over de vraag hoe men haar in goede banen kan leiden. Want democratie kan gemakkelijk ontaarden in een vorm van ochlocratie ofte wel tirannie van de massa. Veel van wat er in 'Over de democratie in Amerika' wordt gezegd, is door die angstige overtuiging ingegeven. 

Met andere woorden: ook de huidige elite, die Tocqueville's studie leest, staat huiverig tegenover de democratie en stelt alles in het werk om haar, ik citeer, 'in goede banen' te 'leiden,' wat dus in de praktijk betekent in de 'banen' die goed zijn voor de gevestigde orde. Zo wordt de politieke koers sinds enkele decennia goeddeels bepaald door de financiële en economische neoliberale elite, daarbij geassisteerd door 'democratische' politici en de gecorrumpeerde massamedia. Hoe knap en profetisch ook veel inzichten van Tocqueville zijn mogen, dat 'de toekomst aan de democratie' zou zijn, is een grote misvatting gebleken. Tenzij men wil volhouden dat de postmoderne burger een wezenlijke invloed uitoefent op de huidige neoliberale gang van zaken, waarbij het systeem in een permanente staat van oorlog verkeert met mens en natuur, om zoveel mogelijk de belangen van de rijke elite te kunnen beschermen. En dan heb ik het nog niet eens over de enorme culturele deprivatie, die ertoe heeft geleid dat de massa zowel als de 'intelligentsia' in bijvoorbeeld Nederland niet in staat zijn een alternatief te bedenken voor de almaar uitdijende chaos. Nog geen 18 decennia na Tocqueville's voorspelling wordt de 'democratische' werkelijkheid in de VS  door de eerder geciteerde Chris Hedges als volgt beschreven:

The vast disconnect between the official narrative of reality and reality itself creates an Alice-in-Wonderland experience. Propaganda is so pervasive, and truth is so rarely heard, that people do not trust their own senses. We are currently being assaulted by political campaigning that resembles the constant crusading by fascists and communists in past totalitarian societies. This campaigning, devoid of substance and subservient to the mirage of a free society, is anti-politics. 

No vote we cast will alter the configurations of the corporate state. The wars will go on. Our national resources will continue to be diverted to militarism. The corporate fleecing of the country will get worse. Poor people of color will still be gunned down by militarized police in our streets. The eradication of our civil liberties will accelerate. The economic misery inflicted on over half the population will expand. Our environment will be ruthlessly exploited by fossil fuel and animal agriculture corporations and we will careen toward ecological collapse. We are 'free' only as long as we play our assigned parts. Once we call out power for what it is, once we assert our rights and resist, the chimera of freedom will vanish. The iron fist of the most sophisticated security and surveillance apparatus in human history will assert itself with a terrifying fury.

Het probleem met Tocqueville is dat hij 'de belangrijkste politiek filosoof' van de negentiende eeuw was, met de nadruk op 'politiek.' Hij was op zoek naar 'politieke' waarheden, en niet naar de 'waarheid' an sich. Hij schreef in een tijd dat voor het eerst in de geschiedenis een massa aan het ontstaan was, die beheerst en geconditioneerd moest worden om de belangen te dienen van een puissant rijke bovenlaag, met haar, in intellectueel opzicht, simplistisch mens- en wereldbeeld. Na twee verwoestende wereldoorlogen met als dieptepunten Auschwitz en Hiroshima, na de nucleaire gevaren van de Koude Oorlog, na de nog steeds voortdurende grootschalige westerse terreur in het Midden-Oosten en de dreigende nieuwe gewelddadige conflicten met Rusland en China, na het begin van de klimaatverandering, is het geenszins overdreven te stellen dat de hegemonie van het Westen onder zware druk staat. Van de Europese en Amerikaanse dynamiek is niet veel meer overgebleven dan het op hol geslagen consumentisme én de doodsdrift van het machtige Amerikaanse militair-industrieel complex. 

Als Buruma werkelijk Tocqueville’s Over de Democratie in Amerika had bestudeerd, dan zou hij nooit bij zijn volle verstand hebben beweerd dat er sprake is van ‘Tocqueville’s admiring account of American democracy.’ Tocqueville realiseerde zich dat door het ver doorgevoerde individualisme een gemeenschap uiteenvalt. Een maatschappij waarin de massa der mensen niet gedreven wordt door rationele motieven, maar door gemanipuleerde impulsen, onderbewuste instincten, geconditioneerde reflexen, kortom, door begeerte die noodzakelijk is om het alles verslindende kapitalistische systeem in stand te houden, vernietigt zichzelf van binnen uit. In het begin van de twintigste eeuw formuleerde de Wall Street-bankier Paul Mazur de cultuur van het onverzadigbare egoïsme als volgt:

We must shift America from a needs- to a desires-culture. People must be trained to desire, to want new things, even before the old have been entirely consumed. [...] Man's desires must overshadow his needs.

En dit betekende weer:

we must learn to sell better and to advertise better. We must convert a basic economic desire — to acquire more and more things — which has no limitation, I assume, among human beings, into actual demand for goods… it is vital that the levels of consumption be high and constantly rising.

Omdat deze ‘orde’ een permanente staat van oorlog betekende met de mens en de natuur, kon het kapitalisme alleen bestaan door groei van productie en consumptie. Tot midden jaren zeventig was dit ook het geval, maar na de uiterst kostbare Vietnam-oorlog bleek dit systeem financieel onhoudbaar te zijn, en werd vervangen door het neoliberalisme. Als dominante ideologie weet het te overleven, niet door productie en consumptie, maar  door het speculeren met niet bestaand geld, tot er weer een periodieke ineenstorting plaatsvindt, zoals in 2008. Toen verklaarden de politiek verantwoordelijken dat de speculerende banken met miljarden aan belastinggeld overeind moesten worden gehouden, om zo het vertrouwen van de corrupte bankiers te herstellen. 


Deze cultuur werd al eind jaren vijftig getypeerd door de grote Amerikaanse socioloog C. Wright Mills als ‘rationality without reason.’ Aangezien daarin geen plaats is voor ratio en logica, voor zelfbeheersing, hoeft het zij zich niet te onderwerpen aan de wensen van de gemeenschap. De scherpzinnige Tocqueville voorzag al ruim 170 jaar geleden de zwarte kant van de Amerikaanse psyche:

Whatever pains are taken to distract it from itself, it soon grows bored, restless, and anxious among the pleasures of the senses. If ever the thoughts of the great majority of mankind came to be concentrated solely in the search for material blessings, one can anticipate that there would be a colossal reaction in the souls of men.

Tocqueville waarschuwde ervoor dat de onverzadigbare hunkering naar status en daarmee naar identiteit nooit bevredigd zou kunnen worden, want hoe gelijker men wordt des te heviger het verlangen naar nog meer gelijkheid. Tocqueville:

Among democratic republics men easily obtain a certain quality, but they will never get the sort of equality they long for. That is a quality which ever retreats before them without getting quite out of sight, and as it retreats it beckons them on to pursue. Every instant they think they will catch it, and each time it slips through their fingers. They see it close enough to know its charms, but they do not get near enough to enjoy it, and they will be dead before they have fully relished its delights.

Vanzelfsprekend kan het onverzadigbare zichzelf nooit verzadigen, en het zal pas stoppen wanneer het daartoe gedwongen wordt, dus op het moment dat al het andere is uitgeput of verwoest. In de studie Eugene O’Neill’s America. Desire Under Democracy (2007) schreef de Amerikaanse historicus en hoogleraar, wijlen, John Patrick Diggins met betrekking tot dit fenomeen:

Liberal, capitalist democracy makes formal, institutional freedom possible, but it also reveals the human condition in all its alienated longing. With this perspective, Alexis de Tocqueville, Eugene O’Neill, and Karl Marx are all in agreement. ‘No stigma attaches to the love of money in America,’ wrote Tocqueville in Democracy in America, ‘and provided it does not exceed the bonds imposed by public order, it is held in honor.’ But money seeking, Tocqueville adds, has people withdrawing into themselves and ‘constantly circling around in pursuit of the petty and banal pleasures with which they glut their souls.’

Tocqueville zocht naar de oorzaken van de Amerikaanse onrust. In hoofdstuk dertien, getiteld ’Why the Americans are so restless in the midst of their prosperity’  stelde hij:

It is strange to see with what feverish ardor the Americans pursue their their own welfare; and to watch the vague dread that constantly torments them, lest they should not have chosen the shortest path which may lead to it.

A native of the United States clings to this world’s goods as if he were certain never to die; and he is so hasty in grasping at all within his reach, that one would suppose he was constantly afraid of not living long enough to enjoy them. He clutches everything, he holds nothing fast, but soon loosens his grasp to pursue fresh gratifications.

De Franse aristocraat en politiek filosoof voorzag de onverzadigbaarheid van de Amerikaanse cultuur, het voortdurende gewelddadige expansionisme toen hij stelde dat

He who has set his heart exclusively upon the pursuit of worldly welfare is always in a hurry, for he has but a limited time at his disposal to reach, to grasp, and to enjoy it.

Het viel hem op dat de Amerikaanse bourgeoisie:

swept away the privileges of some of their fellow-creatures which stood in their way, but they have opened the door to universal competition; the barrier has changed its shape rather than its position…

Tegelijkertijd, zo waarschuwde Tocqueville, ontstond door het Amerikaans egocentrisme een ander groot probleem:

A nation which asks nothing of its government but the maintenance of order is already a slave at heart -- the slave of its own well-being, awaiting the hand that will bind it.

Immers, zoals we nu ook zien

upon the great stage of the world, as we see at our theaters, a multitude represented by a few players, who alone speak in the name of an absent or inattentive crowd:  they alone are in action, whilst all others are stationary; they regulate everything by their own caprice; they change the laws, and tyrannize at will over the manners of the country; and then men wonder to see into how small a number of weak and worthless hands a great people may fall.

De reden waarom opiniemaker Ian Buruma in The New York Times oordeelt dat Tocqueville een ‘admiring account of American democracy’ gaf, is dat hij als broodschrijver zijn publiek en opdrachtgevers dient te behagen. Het is deze houding waarnaar Milan Kundera verwees toen hij met betrekking tot de auteur Hermann Broch schreef 

over de heroïsche inspanningen van de moderne roman die zich verzet tegen de golf van kitsch, maar er tenslotte door gevloerd zal worden. Het woord kitsch verwijst naar de houding van degene die tot elke prijs zoveel mogelijk mensen wil behagen. Om te behagen dien je je te conformeren aan wat iedereen wenst te horen, in dienst te staan van de pasklare ideeën, in de taal van de schoonheid en de emotie. Hij beweegt ons tot tranen van zelfvertedering over de banaliteiten die wij denken en voelen. Na meer dan vijftig jaar wordt de kernspreuk van Broch nu alleen nog maar meer waar. Op grond van de dwingende noodzaak te behagen en zo de aandacht van het grootst mogelijke publiek te trekken, is de esthetiek van de massamedia onvermijdelijk die van de kitsch en naarmate de massamedia ons gehele leven meer omsluiten en infiltreren, wordt de kitsch onze dagelijkse esthetiek en moraal. 

Kundera benadrukte dat 

[j]e je de toekomst wel [kunt] voorstellen zonder de klassenstrijd of zonder de psychoanalyse, maar niet zonder de onweerstaanbare opkomst van pasklare ideeën die, ingevoerd in computers, gepropageerd door de massamedia, het gevaar met zich meebrengen binnenkort een macht te worden die elk oorspronkelijk en individueel denken verplettert en zo de werkelijke essentie van de Europese cultuur van onze tijd verstikt.

De mainstream-media zijn kitsch, hun mens- en wereldbeeld is kitsch, hun verlangens en dromen zijn kitsch, hun opinies zijn kitsch, en gevaarlijk. De bewering dat ‘we ons [zullen] moeten voorbereiden op een tijd waarin we met weemoed terugkijken op het betrekkelijk goedaardige imperialisme uit Washington,’ is gevaarlijke kitsch in het kwadraat. In verband met de lengte stop ik hier. Volgende keer Buruma’s bewering dat 

The British version of the American dream: ‘The Great Gatsby’ may be the great American novel, but Gatsby could have existed in Britain too.

Ook in dit geval geldt dat Buruma’s bewering bezijden de waarheid is. 


http://stanvanhoucke.blogspot.it/2017/07/ian-buruma-en-het-betrekkelijk_28.html

Ian Buruma en 'het betrekkelijk goedaardige imperialisme uit Washington' 7


Bij zijn aantreden in 2010 als hoofdredacteur én directielid van NRC Handelsblad verklaarde Peter Vandermeersch:

Wij moeten beter luisteren naar de lezer. Niet om hem hoofdredacteur te maken, maar om te horen welke krant hij wil lezen. Hij heeft minder tijd, veel prikkels en weet al heel veel. Die moeten wij bedienen. Als wij dat goed doen, kunnen de oplagen groeien… Daarom moeten we een krant maken die aansluit bij wat de moderne lezer wil.

Vandermeersch maakte destijds duidelijk dat het maken van meer winst het belangrijkste doel van de neoliberale directie en eigenaren van de krant was, en dat juist daarom de ‘krant’ moest aansluiten ‘bij wat de moderne lezer wil.’ Maar zes jaar later voelde hij zich toch gedwongen de vraag te stellen: 

Waarom zagen wij media Trumps overwinning niet aankomen? […] Op Amerikaanse media regent het nu mea culpa’s. Sterker nog. Ik had een déjà vu-gevoel, want ook bij de Brexit en het Oekraïne-referendum geloofden velen op de redactie van deze krant dat de bevolking wel een ‘verstandige’ stem zou uitbrengen.

Vandermeersch had tevens kunnen verwijzen naar de verbijstering waarmee de Nederlandse mainstream-media in 2002 hadden gereageerd op de voor hen volkomen onverwachte opkomst van Pim Fortuyn. Zonder overdrijven kan gesteld worden dat de westerse ‘vrije pers’ zeker de afgelopen twee decennia door de realiteit werd overvallen. En aangezien een deel van de ‘bevolking’ bestaat uit NRC-lezers moet de conclusie zijn dat het ‘déja vu-gevoel’ van Vandermeersch tevens het bewijs is dat ook zijn krant sinds zijn beginselverklaring in 2010 niet in staat is geweest ‘beter’ te ‘luisteren naar de lezer.’ De verklaring is voor de hand liggend: de pers luistert zelden tot nooit naar het publiek, om de simpele reden dat dit niet de taak is die zij van de elites heeft toebedeeld gekregen. 'The public must be put in its place,' zo schreef Walter Lippmann al in het interbellum, zodat de elites 'live free of the trampling and the roar of a bewildered herd,' van wie de enige 'function' is 'interested spectators of action,' te zijn, maar absoluut geen deelnemers. De massa moest in het gareel worden gehouden door ‘a specialized class whose interests reach beyond the locality,’ en daarbij speelt de ‘propaganda machine’ van de mainstream-media een centrale rol, aldus Lippmann. Kenmerkend voor de klasse van opiniemakers is tevens het volgende:

From the 1930s to the 1950s, Lippmann became even more skeptical of the ‘guiding’ class. In The Public Philosophy (1955), which took almost twenty years to complete, he presented a sophisticated argument that intellectual élites were undermining the framework of democracy. The book was very poorly received in liberal circles.

Lippmann heeft gelijk gekregen dat de ‘intellectual elites’ de democratie zouden ondermijnen, zo blijkt vandaag de dag, nu het vertrouwen in de politieke en intellectuele elite dermate is gedaald dat hun geloofwaardigheid onder grote delen van de westerse bevolking is verdwenen, waardoor met de mythe van ‘de democratie’ ook de mythe van een ‘onafhankelijke objectieve pers’ ten onder is gegaan. In zijn essaybundel Stemverheffing (1996) stelde de Britse auteur John Berger op grond van de dagelijkse realiteit:

Consumptie en communicatie zijn tegenwoordig verenigd in een diabolische vennootschap, en uit deze vennootschap bestaat datgene wat wij kennen als de media. Eerst en vooral vertegenwoordigen de media een economisch contract waardoor alles wat er in de wereld gebeurt wordt gekoppeld aan het mechanisme van de verkoop.


Berger voegt hieraan toe dat de 'veronderstellingen waarvan het mediabedrijf uitgaat namens het publiek behalve blind ook verblindend [zijn],' en wijst daarbij op de bedreiging die het mens en wereldbeeld van de mainstream-media vormen:

Misschien is het precies op dit punt dat onze vorm van democratie een langzame dood sterft. Als dat zo is, dan als gevolg van een weigering. De weigering van het mediabedrijf om het feit te erkennen en te laten doorwerken dat het publiek in zijn hart weet hoe de wereld in elkaar zit… De reden van deze weigering die een bedreiging is voor onze vorm van democratie, de reden waarom het mediabedrijf stelselmatig onderschat wat we gemeen hebben, die reden is steeds dezelfde: de normloze drang tot verkopen.

Edward Bernays, de meest vooraanstaande grondlegger van de Public Relations-industrie constateerde in zijn boek Propaganda (1928) tevreden:

We are governed, our minds are molded, our tastes formed, our ideas suggested, largely by men we have never heard of. This is a logical result of the way in which our democratic society is organized. Vast numbers of human beings must cooperate in this manner if they are to live together as a smoothly functioning society.

Our invisible governors are, in many cases, unaware of the identity of their fellow members in the inner cabinet.

Op zijn beurt schreef de Amerikaanse socioloog en psycholoog Harold Lasswell in 1927 met betrekking tot de westerse massamedia dat het bewust manipuleren van 'significant symbols' van vitaal belang was geworden, aangezien de:

bonds of personal loyalty and affection which bound a man to his chief have long since dissolved. Monarchy and class privilege have gone the way of all flesh, and the idolatry of the individual passes for the official religion of democracy. It is an atomized world, in which individual whims have wider play than ever before, and it requires more strenuous exertions to co-ordinate and unify than formerly. The new antidote to willfulness is propaganda. If the mass will be free of chains of iron, it must accept its chains of silver. If it will not love, honor and obey, it must not expect to escape seduction. Propaganda is one of the most powerful instrumentalities in the modern world.

In de ideologische beschouwing van de invloedrijke Lasswell gold dat aangezien ‘the masses are still captive to ignorance and superstition' de komst van de democratie 'compelled the development of a whole new technique of control, largely through propaganda.' Want, zo zette hij uiteen, propaganda is 'the one means of mass mobilization which is cheaper than violence, bribery or other possible control techniques.' 

Het spreekt voor zich dat juist in 'democratieën' de taak van het mobiliseren en disciplineren van de massa niet in handen wordt gegeven van de politie of het leger, maar in die van de commerciële massamedia. Let wel, Lasswell was geen marginale figuur met maffe standpunten. Hij wordt nog steeds alom bewonderd. Dit is wat bijvoorbeeld de Nederlandse editie van Wikipedia over hem meldt:

Lasswell was één van de meest creatieve en invloedrijke wetenschappers van zijn tijd. Door gebruik te maken van een scala van psychologische en sociologische methoden in een discipline die tot dan toe alleen gebruik maakte van historische, juridische en filosofische methoden werd Harold Lasswell de grondlegger van de hedendaagse politieke wetenschap en met name de politieke psychologie. Ook op het gebied van de communicatiewetenschappen heeft hij met zijn communicatiemodel een grote invloed gehad. Op het gebied van beleidsstudies was het Harold Lasswell die de richting aangaf met de omschrijving waaraan deze (toen) nieuwe discipline moest voldoen (multi-disciplinair, probleem oplossend, expliciet normatief). 

De Poolse journalist Ryszard Kapuściński wees in De Ander. Essays van de reporter van de eeuw (2011) erop dat ‘in de eerste decennia’ van de vorige eeuw

twee nieuwe, in de geschiedenis tot dan toe onbekende verschijnselen [worden] waargenomen: de geboorte van de massasamenleving en het ontstaan van totalitaire systemen… Het woord ‘massa’ is tot sleutelwoord geworden waarmee die wereld wordt beschreven. Zo zijn er: massacultuur en massahysterie, massamode (of veeleer gebrek aan smaak) en massagekte, massaknechting en tot slot massavernietiging. De massa is de enige held op het wereldtoneel en het belangrijkste kenmerk van deze menigte is haar anonimiteit, haar gebrek aan individualiteit, identiteit, gezicht. Het individu raakte verdwaald in die menigte, werd overspoeld door de massa, werd door de wateren verzwolgen. Het individu verwerd, zoals Gabriel Marcel (Franse filosoof svh) het formuleerde, tot ‘een onpersoonlijke anonymus in een onvolledige toestand.’

De lezer doet er goed aan in gedachte te houden dat de elite in elk systeem de massa wantrouwt en vreest. Zo schreef Lasswell in 1933 — het jaar dat Hitler democratisch aan de macht kwam — in de Encyclopedia of the Social Sciences dat aangezien de 'masses are still captive to ignorance and superstition' de komst van de democratie 'compelled the development of a whole new technique of control, largely through propaganda.' Want, zo stelde deze hoogleraar, propaganda is 'the one means of mass mobilization which is cheaper than violence, bribery or other possible control techniques.' Om een geavanceerde technologische massamaatschappij zo efficient en soepel mogelijk te laten draaien, is propaganda de goedkoopste en veiligste manier voor de elite om de massa gehoorzaam te houden. In verband hiermee waarschuwde ook Walter Lippmann in zijn boek Drift and Mastery: An Attempt to Diagnose the Current Unrest (1914) de Amerikaanse politieke en economische elite dat:

The chaos of too much freedom and the weaknesses of democracy are our real problem. The battle for us, in short, does not lie against crusted prejudice, but against the chaos of a new freedom. This chaos is our real problem. So if the younger critics are to meet the issues of their generation they must give their attention, not so much to the evils of authority, as to the weaknesses of democracy.

In de praktijk betekent de opvatting dat een ware democratie onmogelijk blijft -- omdat ‘het volk’ niet in staat is een complexe samenleving te doorgronden -- tot een voorstelling van zaken als deze van opiniemaker Ian Buruma: ‘the desire to poke the eye of an unpopular elite, held responsible for the economic stagnation in busted industrial cities.’ Buruma schreef dit in The New York Times Magazinevan 29 november 2016 over de uitgerangeerde Britse working class, die volgens hem uit frustratie het infantiel ‘verlangen' koestert 'om een vinger in het oog te prikken van een onpopulaire elite,’ om die ‘elite’ kennelijk eens flink te jennen, zoals Stan Laurel bij Oliver Hardy deed, en ‘wij’ allen, als kinderen, daar vreselijk om moesten lachen. Buruma’s dédain blijkt tevens uit zijn beschrijving dat de ‘elite’ door de gedupeerde onderklasse ‘verantwoordelijk wordt gehouden voor de economische stagnatie in kapotte industriële steden,’ alsof de mogelijkheid zou bestaan dat de ‘onpopulaire elite’ van het neoliberale bestel hier niet schuldig aan is, en de working class in al haar onnozelheid niets beters weet te verzinnen dan het zinloos in het oog te prikken van de rijken en machtigen. Buruma demonstreert precies datgene wat Berger de ‘weigering’ noemt ‘van het mediabedrijf om het feit te erkennen en te laten doorwerken dat het publiek in zijn hart weet hoe de wereld in elkaar zit.’ Buruma verzwijgt dat een aanzienlijk deel van de burgers door de gecorrumpeerde houding van de liberale en sociaal-democratische elite in arren moede de kant heeft gekozen van de zogeheten ‘populisten.’ Dat laatstgenoemden geen oplossing hebben voor de chaos van het neoliberalisme -- daarvoor is deze ideologie te diep in het systeem verankerd -- behoeft geen betoog. Veel interessanter is hoe de liberale en sociaal-democratische elites en hun spreekbuizen in de mainstream-media sinds eind de jaren zeventig deze ontwikkeling hebben mogelijk gemaakt en ook nog eens hebben toegejuicht, omdat ‘[e]r geen alternatief’ zou bestaan ‘voor de maatschappelijke constellatie die we nu hebben, en dus heeft het geen enkele zin daar naar te streven,’ aldus de toenmalige PVDA-premier Wim Kok tijdens een lezing in 1989 aan de Universiteit van Nijmegen. Zes jaar later verklaarde de sociaal-democratische voorman — die inmiddels over zijn land was gaan spreken als de ‘BV Nederland’ — dat ‘[h]et afschudden van ideologische veren’ voor zijn partij tevens ‘een bevrijdende ervaring’ was. Dat daardoor het neoliberale dereguleren, privatiseren, outsourcen naar lage lonen landen, en downsizen door automatisering, ongestoord kon doorgaan,  was onvoorzien, en wel omdat de politieke kaste en haar opiniemakers in de commerciële media zichzelf hadden wijs gemaakt dat de hele wereldbevolking zou profiteren van de ‘vrije markt’-doctrine, die samenviel met ‘het einde van de geschiedenis.’ Toen de westerse bevolking doorkreeg dat de financiële en economische elite steeds rijker werd ten koste van de arbeidersklasse en de middenklasse, en men de dupe was geworden van het neoliberalisme, nam de woede razendsnel toe, overigens zonder dat zowel de ‘vrije pers’ als de ‘democratische’volksvertegenwoordiging ook maar iets doorhad. Het geloof — een ander woord hiervoor is er niet — in het neoliberale ideologie was zo groot dat politici en de mainstream-media de kredietcrisis van 2008 niet zagen aankomen. Zo verklaarde op 7 oktober 2008, Egbert Kalse, destijds economisch redacteur van nrc.next, de financiële crisis als volgt: 

Jij vraagt je natuurlijk af waarom jouw bank in Nederland in hemelsnaam in Amerikaanse hypotheken gaat beleggen? Dat komt omdat ze dachten daar meer geld mee te kunnen verdienen dan met andere beleggingen. Iedereen (dan bedoel ik voor de verandering maar weer eens echt iedereen) dacht dat de huizenprijzen in Amerika altijd zouden blijven stijgen. Dom natuurlijk, maar zo was het wel. En omdat iedereen dat dacht, dacht ook iedereen dat het wel veilig was daarin te beleggen. Niet dus.

Klopte zijn bewering dat ‘echt iedereen dacht’ dat ‘het wel veilig was’? Nee, geenszins. Het is waar dat ‘echt iedereen’ in het journalistieke mainstream-wereldje ‘dom’ was, maar daarbuiten wisten genoeg mensen dat de luchtbel op ontploffen stond, zoals de lezers van mijn weblog weten. Een voorbeeld van iemand die ruim van te voren met klem had gewaarschuwd:

On Sept. 7, 2006, Nouriel Roubini, an economics professor at New York University, stood before an audience of economists at the International Monetary Fund and announced that a crisis was brewing. In the coming months and years, he warned, the United States was likely to face a once-in-a-lifetime housing bust, an oil shock, sharply declining consumer confidence and, ultimately, a deep recession. He laid out a bleak sequence of events: homeowners defaulting on mortgages, trillions of dollars of mortgage-backed securities unraveling worldwide and the global financial system shuddering to a halt. These developments, he went on, could cripple or destroy hedge funds, investment banks and other major financial institutions like Fannie Mae and Freddie Mac.The audience seemed skeptical, even dismissive. As Roubini stepped down from the lectern after his talk, the moderator of the event quipped, ‘I think perhaps we will need a stiff drink after that.’ People laughed — and not without reason. At the time, unemployment and inflation remained low, and the economy, while weak, was still growing, despite rising oil prices and a softening housing market. And then there was the espouser of doom himself: Roubini was known to be a perpetual pessimist, what economists call a ‘permabear.’ When the economist Anirvan Banerji delivered his response to Roubini’s talk, he noted that Roubini’s predictions did not make use of mathematical models and dismissed his hunches as those of a career naysayer.

Inmiddels is de journalist Egbert Kalse, die zo ‘dom’ was ‘natuurlijk’ om net als  ‘echt iedereen’ te geloven ‘dat de huizenprijzen in Amerika altijd zouden blijven stijgen,’ opgeklommen tot adjunct-hoofdredacteur van NRC Handelsblad, dat zich zo graag als kwaliteitsdagblad afficheert. In diezelfde tijd schreef de Britse historicus, Tony Judt, vlak voor zijn dood, in Ill Fares the Land (2010)

We cannot go on living like this. The little crash of 2008 was a reminder that unregulated capitalism is its own worst enemy: sooner or later it must fall prey to its own excesses and turn again to the state for rescue. But if we do no more than pick up the pieces and carry on as before, we can look forward to greater upheavals in recent years to come. And yet we seem unable to conceive of alternatives. This too is something new... Today, neither Left nor Right can find their footing.

De scherpzinnige Judt verwoordde een algemeen gevoel onder oprechte intellectuelen en grote delen van de westerse bevolking, met uitsluiting van de mainstream-opiniemakers die, net als Ian Buruma, nog steeds vergeefs het failliete Amerikaanse consumptie-systeem aanprijzen met beweringen als dat wij in de toekomst ‘met weemoed’ zullen ‘terugkijken op het betrekkelijk goedaardige imperialisme uit Washington.’  Desondanks begint begint zelfs de mainstream-pers te twijfelen aan het democratisch gehalte van hun ‘democratie,’ en zou men dus mogen verwachten dat 'de vrije pers' tevens de veronderstelling laat vallen dat het neoliberale kapitalisme houdbaar is. Maar nee hoor. Een voorbeeld. Hoewel de voormalige hoogleraar journalistiek aan de Rijksuniversiteit Groningen Marc Chavannes in 2013 in de NRC schreef over ‘de aftakeling van de democratie,’ verzuimde hij de vraag te stellen wie anders dan de economische elite in samenwerking met de politieke elite de neoliberale 'democratie' heeft kunnen uithollen. Die vraag was desalniettemin onvermijdelijk, aangezien ‘het kapitalisme’ en ‘de democratie’ altijd als één totaalpakket zijn verkocht. Maar omdat de ‘vrije pers’ niet ‘vrij’ en onafhankelijk is van de financiële en daarmee ideologische druk van de economische macht, en daar zelfs een onderdeel van uitmaakt, kon die  vraag, hoe noodzakelijk ook, niet worden gesteld. De westerse journalist zou anders worden uitgestoten en gemarginaliseerd. Ondanks het feit dat al tenminste twee decennia duidelijk is dat de neoliberale leer het tegenovergestelde produceert van wat zij belooft, blijven de mainstream-journalisten het systeem verdedigen. In 2005 schreef de Britse econoom Harry Shutt in zijn boek The Decline Of Capitalism. Can a Self-Regulated Profits System Survive? het volgende:

Thus as the 1980s unfolded it was increasingly evident that the neoliberal ideology  which was supposed to have supplanted the Keynesian model based on extensive state intervention was in fact hopelessly undermined by the private sector’s incurable addiction to public subsidy and protection. Yet the dangerous implications of this reality — effectively concealed from the majority of the public by an establishment propaganda smokescreen, combined with extensive measures indicating that the frontiers of the state were indeed being rolled back — were for long scarcely recognized.

En worden nog steeds niet door het demissionaire VVD/PVDA kabinet erkend, getuige zijn bezuinigingsbeleid onder het motto dat ‘de verzorgingsstaat' moet veranderen in ‘een participatiesamenleving,’ en dat ‘van iedereen die dat kan, gevraagd [wordt] om verantwoordelijkheid te nemen,’ zoals dit in de neoliberale Newspeak heet. ‘Van iedereen die dat kan,’ behalve dan van de banken die met honderden miljarden aan belastinggeld werden overeind gehouden, om slechts één voorbeeld te geven van de miljarden subsidies aan de economische macht en de talloze belastingvoordelen aan de rijke elite. Het is een politieke keuze die de werkloosheid in plaats van oplost, juist verergert. Shutt:

by giving private enterprise, particularly in the financial sector, increased license to create and allocate credit while yet maintaining an implicit or explicit guarantee that the state would underwrite any major losses, the authorities were giving a powerful incentive to irresponsible, or even criminal, behavior. This phenomenon, referred to by the few who have been willing to recognize its existence as ‘moral hazard,’ defines the essentially fraudulent nature of the neoliberal prospectus. For while, as noted above, the corporate, mixed-economy model of the post-war era had always implicitly assumed a trade-off between state support for the private sector and the latter’s obligation to help meet the collective economic goals of the community, the moral hazard model actually provided an incentive to anti-social conduct. Moreover, in a climate of intensifying stagnation, where corporate profitability was ever harder to sustain at minimum acceptable levels, the temptation for corporate managers not merely to allocate funds to excessively risky investment but to resort to outright fraud became increasingly irresistible. 

Hierover zweeg de ‘vrije pers’ in haar euforie over de almaar stijgende miljardenwinsten op de beurs. Tot in 2008 deze luchthandel als het ware van de ene op de andere dag ineenstortte, tot grote schrik van de mainstream pers, maar niet van de bankiers die al vanaf het begin wisten dat hun gespeculeer en zelfs zwendel uiteindelijk financieel zou worden gedekt door de staat, uit angst voor de volledige ineenstorting van het kapitalisme. De onvermijdelijke vraag blijft: hoe is het te verklaren dat de voltallige mainstream-pers niet wist dat bijvoorbeeld de Britse econoom Harry Shutt al in 2005 de ineenstorting had voorspeld en geanalyseerd? En waarom dringt het niet door tot opiniemakers als Ian Buruma, die over de slachtoffers van het neoliberalisme zo badinerend schreef, dat nagenoeg niemand van de gedupeerde burgers ooit ‘met weemoed’ zal terugkijken op het ‘imperialisme’ van de VS? Terecht benadrukte Shutt dat:

[i]t is thus ironic to reflect that Keynesianism, long hailed as the savior of the capitalist system, may have turned into the key instrument of its ultimate ruin. For, by drawing private enterprise into such lasting dependence on public subsidy, it may well be judged to have set capitalism on a path of decline from which it may never be able to recover.

Het moderne kapitalisme heeft van het begin af aan gefunctioneerd als socialisme voor de rijken, en degenen die daarop — samen met Buruma — ‘met weemoed’ zullen terugkijken, zijn de profiteurs van dit parasitair bestel, die aan hun eigen onverzadigbare begeerte ten onder zullen gaan. En wat betreft dit neoliberale beleid, dat wordt door zowel Democraten als Republikeinen in het Congres klakkeloos gesteund. Op zichzelf is dit niet vreemd wanneer men onder andere weet dat ‘More Than Half Of All Congressional Members Are Millionaires’ en dat:

overall, members of Congress saw their personal wealth grow by more than 16 percent during the worst economic downturn in the United States since the Great Depression, according to financial disclosures submitted by lawmakers.

Terwijl steeds meer Amerikanen getroffen werden door de gevolgen van de kredietcrisis en de daarop volgende economische crisis, profiteerde de elite van de nieuw ontstane situatie. De volgende cijfers verraden de werkelijkheid. Onder de kop ‘Wealth Gap Between Congress and Average Americans Widens’ werd al in 2012 het volgende bekend:

According to a new report in The Washington Post, the median net worth of the current Congress rose 5% during the recession while it fell 39% for the average American. The wealthiest one-third of lawmakers saw their net worth rise 14%... The Post analyzed the financial disclosure forms and public records for all Congressional members from 2004 to 2010. Some key findings of the report are:

1 By 2010, the median estimated wealth for members of the House of Representatives was $746,000; for senators it was $2.6 million.

2 There was virtually no difference between the wealth of Republicans and Democrats in 2010. Just six years earlier, the net worth of Republicans was 44% higher than the net worth of Democrats.

Aan deze ontwikkeling komt geen eind in een economie waarin geld geld maakt, en de elite zich nog meer weet te verrijken dankzij ‘jobless growth,’ ten koste van de westerse arbeiders- en middenklasse. Daarover zwijgt Ian Buruma angstvallig in zijn lovende overpeinzing van de naoorlogse ‘liberal consensus’ voor The New York Times Magazine van 29 november 2016. Hij schreef: 

When Trump and Farage stood on that stage together in Mississippi, they spoke as though they were patriots reclaiming their great countries from foreign interests. No doubt they regard Britain and the United States as exceptional nations. But their success is dismaying precisely because it goes against a particular idea of Anglo-American exceptionalism. Not the traditional self-image of certain American and British jingoists who like to think of the United States as the City on the Hill or Britain as the sceptered isle splendidly aloof from the wicked Continent, but another kind of Anglo-American exception: the one shaped by World War II. The defeat of Germany and Japan resulted in a grand alliance, led by the United States, in the West and Asia. Pax Americana, along with a unified Europe, would keep the democratic world safe. If Trump and Farage get their way, much of that dream will be in tatters.

Wat beweert Buruma precies in deze opgeschoonde, eurocentrische, versie van de naoorlogse geschiedenis? Centraal in zijn betoog staat een door hem gesignaleerd ‘particular idea of Anglo-American exceptionalism,’ dat na 1945 de ‘democratische wereld veilig’ heeft gehouden. ‘Veilig’voor wie of wat maakt hij niet duidelijk, maar uitgaande van de praktijk van de ‘Pax Americana’ kan worden opgemaakt dat opiniemaker Buruma — die dit voor het overwegend witte en welvarende publiek van The New York Times schreef — doelt op de ‘Vrede’ in de westerse wereld. Kenmerkend aan die 'Vrede' was dat de westerse wereld, onder leiding van de VS, na de Tweede Wereldoorlog met massaal geweld de noodzakelijke grondstoffen en markten veilig stelden. Dat begon al in 1953 in het toen democratische Iran. De Amerikaanse oud-correspondent van The New York Times, professor Stephen Kinzer, schreef in All the Shah's Men: An American Coup and the Roots of Middle East Terror (2003) hoe de CIA in samenwerking met de Iraanse onderwereld en Britse geheime dienst functionarissen erin slaagden de regering van de democratisch gekozen premier Mossadeq ten val te brengen, nadat die besloten had de eigen oliebronnen te nationaliseren. Mossadeq werd gevangen genomen, de sjah weer in het zadel geholpen, de oppositie gemarteld en de democratie vernietigd. Met steun van het Westen kon het regime van de sjah tot 1979 ongestoord doorgaan zichzelf en een kleine elite te verrijken, en het verzet hiertegen gevangen te zetten of voorgoed te laten verdwijnen. Ondertussen werd voor Amerikaanse autoriteiten de 1953-staatsgreep een schoolvoorbeeld van hoe hun belangen het best verdedigd konden worden. Bijna overal was Washington decennialang in staat zijn marionetten aan de macht te helpen en te houden, middels omkoping en desnoods geweld. Dankzij Buruma’s ‘particular idea of Anglo-American exceptionalism’ dat ‘would keep the democratic world safe,’ kon in Guatemala een jaar later de eveneens democratisch gekozen president Jacobo Árbenz Guzmán verdreven worden tijdens ‘a coup d'état engineered by the United States government and CIA,’ om te worden vervangen door ‘a military junta, headed by Colonel Carlos Castillo.’ De reden van de Amerikaanse interventie was simpelweg omdat  Árbenz 

campaigned as a reformer and garnered 60% of the vote by promising to make Guatemala an economically independent, socialist state that would shed its colonial-era dependence on the U.S. His predecessor, Juan José Arévalo, had successfully begun a series of reforms to open the political process to all citizens. Arévalo's extension of voting and labor rights threatened the power of the traditional elite and led to more than twenty failed coup attempts to oust him.

Arbenz set land reform as his central goal as only 2 % of the population owned 70 % of the land.

Árbenz continued Arévalo's reform agenda and, in June 1952, his government enacted an agrarian reform program. The agrarian reform law gave the government power to expropriate only uncultivated portions of large plantations. Estates of up to 670 acres (2.7 km2) were exempted if at least two thirds of the land was cultivated; also exempt were lands that had a slope of more than 30 degrees (a significant exemption in mountainous Guatemala). The land was then allocated to individual families. Owners of expropriated land were compensated according to the worth of the land claimed in May 1952 tax assessments… Arbenz himself, a landowner through his wife, gave up 1,700 acres (7 km2) of his own land in the land reform program.

While Árbenz's proposed agenda was welcomed by impoverished peasants who made up the majority of Guatemala's population, it provoked the ire of the upper landowning classes, powerful U.S. corporate interests, and factions of the military, who accused Árbenz of bowing to communist influence…

The United Fruit Company — now renamed Chiquita — a U.S.-based corporation, was also threatened by Árbenz's land reform initiative. United Fruit was Guatemala's largest landowner, with 85% of its holdings uncultivated, vulnerable to Árbenz's reform plans. In calculating its tax obligations, United Fruit had consistently (and drastically) undervalued the worth of its holdings. In its 1952 taxes, it claimed its land was only worth $3 per acre. When, in accordance with United Fruit's tax claims, the Árbenz government offered to compensate the company at the $3 rate, the company claimed the land's true value was $75/acre but refused to explain the precipitous jump in its own determination of the land's value.

United Fruit had been lobbying the CIA to oust reform governments in Guatemala since Arévalo's time but it wasn't until the Eisenhower administration that it found an ear in the White House. In 1954, the Eisenhower administration was still flush with victory from its covert operation to topple the Mossadegh government in Iran the year before. On February 19, 1954, the CIA began Operation WASHTUB, a plan to plant a phony Soviet arms cache in Nicaragua to demonstrate Guatemalan ties to Moscow.

In 2003, William Blum, in Killing Hope: US Military and CIA Interventions Since World War II criticized Roosevelt for providing no evidence when he ‘argu[ed] that Mossadegh had to be removed to prevent a communist takeover’ of Iran. 

Tekenend voor de nauwe banden tussen de CIA en de Amerikaanse politieke, financiële en economische elite is dat United Fruit Company schatrijke aandeelhouders had als de Rockefeller-familie en dat 

John Foster Dulles and the firm of Sullivan & Cromwell, had been legal council for the United Fruit Company for decades and John Foster Dulles was also a major shareholder in UFC.  And at the time John Foster Dulles was also the Secretary of State under President Dwight D Eisenhower.  Dulles’s grandfather had also been Secretary’s of State in the time of President Ben Harrison. Allen W. Dulles the brother of John Foster Dulles was also a major shareholder of the company and whiled away his empty hours being the Director of the CIA. General Robert Carter, head of the National Security Council was a former Chairman of the Board of United Fruit. Thomas G. Corcorran, everyone’s ‘Mr Fixit’ – an appalling man whose biography would be a true adventure story — and who was often accused of corrupt behavior back home, worked for the CIA and was a paid consultant for United Fruit.

Een voorname rol in het ten val brengen van de democratische regering in Guatemala speelde Edward Bernays, de PR-grondlegger, die van oordeel was dat  ‘regimenting the public mind' even noodzakelijk was 'as an army regiments the bodies of its soldiers’  om een democratische bevolking in het gareel te houden. Bernays’ propaganda voor United Fruit schilderde Arbenz af als een gewillige pion van ‘de internationale Communistische samenzwering,’ die een gevaar vormde voor het ‘particular idea of Anglo-American exceptionalism’ dat volgens Ian Buruma ’would keep the democratic world safe.’  Buruma’s logica lijkt verdacht veel op de logica van een Amerikaanse majoor die tijdens de Vietnam-oorlog tegenover de Associated Press-correspondent Peter Arnett verklaarde dat 'It became necessary to destroy the town to save it.’ In diezelfde oorlog verklaarde een andere Amerikaanse officier: ‘it is better to bomb blindly than miss an objective.’ De houding van deze militairen verraadt dezelfde mentaliteit als die van Ian Buruma, in alle drie gevallen spelen mensenrechten geen rol van betekenis om ‘de democratische wereld veilig’ te ‘houden.’ Hoewel ook de Amerikaanse militairen rotsvast geloven in wat Buruma ‘het betrekkelijk goedaardige imperialisme uit Washington’ noemt, vertonen zij allen aspecten van wat Hannah Arendt de ‘banaliteit van het kwaad’ betitelde, en wel omdat de slachtoffers van de Amerikaanse terreur voor hen onzichtbaar zijn. 


Zo verzwijgt Buruma in zijn bespiegeling over het veilig houden van ‘de democratische wereld’ dat daardoor ondermeer ‘[t]he Guatemalan genocide’ mogelijk werd. De ‘Mayan genocide,’ ook wel de ‘Silent Holocaust’ genoemd, die verwijst naar 

the massacre of Maya civilians during the Guatemalan military government's counterinsurgency operations. Massacres, forced disappearances, torture and summary executions of guerrillas and especially civilian collaborators at the hands of US-backed security forces had been widespread since 1965 and was a longstanding policy of the military regime, which US officials were aware of. A report from 1984 discussed ‘the murder of thousands by a military government that maintains its authority by terror.’ Human Rights Watch have described extraordinarily cruel actions by the armed forces, mostly against unarmed civilians…

An estimated 200,000 Guatemalan civilians were killed during the Guatemalan Civil War — 93% by government forces — including at least 40,000 persons who ‘disappeared.’ Of the 42,275 individual cases of killing and ‘disappearances’ documented by the CEH, 83% of the victims were Maya and 17% Ladino meaning that by applying these proportions to the estimated 200,000 civilians killed and disappeared in the Guatemalan Civil War overall it can be inferred that up to 166,000 Maya and 34,000 Ladino were killed or disappeared in the Guatemalan genocide. A UN sponsored Commission for Historical Clarification in 1999 concluded that a genocide had taken place at the hands of the US-backed Guatemalan army, and that US training of the officer corps in counterinsurgency techniques ‘had a significant bearing on human rights violations during the armed confrontation.’

Door de Amerikaanse interventie in 1954 werd de democratie afgeschaft, raakte het land volledig ontwricht, en leed de bevolking decennialang onder terreur-regimes. Zo werd ‘[f]ormer military dictator General Efrain Rios Montt (1982–1983) indicted for his role in the most intense stage of the genocide.’ Maar omdat zijn terreur spoorde met het genocidale politieke beleid van de Verenigde Staten had president Ronald Reagan eerder Rios Montt geprezen als ‘a man of great personal integrity.’ Al 

in 1999 deed de Guatemalteekse Nobelprijswinnares Rigoberta Menchú aangifte bij de Spaanse justitie tegen Ríos Montt en zeven andere voormalige hoge Guatemalteekse functionarissen wegens genocide en misdaden tegen de menselijkheid. Ríos Montt genoot als parlementslid parlementaire onschendbaarheid, maar verloor deze toen hij in 2004 zijn congreszetel kwijtraakte. In september 2005 besliste het Spaanse Grondwettelijk Hof dat vervolging in Spanje mogelijk was. In juni 2006 vaardigde de Spaanse rechter Santiago Pedraz een internationaal arrestatiebevel uit tegen Ríos Montt en de zeven anderen en verzocht Guatemala om hun uitlevering… 

In september 2007 wist Ríos Montt voor het FRG (Guatemalteeks Republikeins Front) opnieuw een parlementszetel te winnen, waardoor hij opnieuw onschendbaarheid verkreeg. Op 14 januari 2012 eindigde zijn ambtstermijn als parlementslid en daarmee ook zijn onschendbaarheid. Op 26 januari 2012 verscheen hij voor het Hooggerechtshof van Guatemala en werd daar in staat van beschuldiging gesteld wegens genocide en misdaden tegen de menselijkheid, meer bepaald moord, foltering en de gedwongen verhuizing van duizenden leden van de Ixil, een Mayavolk, tijdens zijn bewind. Tijdens de zitting zweeg hij. Bij eerdere gelegenheden had hij verklaard dat er wel excessen zijn geweest, maar dat hij daarvoor niet verantwoordelijk was. Het hof plaatste Ríos Montt voor de duur van de procedure onder huisarrest.

Op 28 januari 2013 werd beslist dat Ríos Montt wegens genocide en misdaden tegen de menselijkheid zou berecht worden. De rechter oordeelde dat er voldoende bewijs was dat de ex-president tijdens zijn bewind de opdracht had gegeven aan het regeringsleger voor de moord op 1771 indianen. Ríos Montt werd zo het eerste voormalig staatshoofd van Centraal-Amerika dat voor genocide gerechtelijk vervolgd wordt. Tijdens het proces ontkende Ríos Montt dat hij de moordpartijen had bevolen.

Op 8 mei 2013 eiste openbaar aanklager Orlando López in zijn slotpleidooi 75 jaar gevangenisstraf voor de ex-dictator. Twee dagen later, op 10 mei, veroordeelde de rechtbank de ex-president tot tachtig jaar gevangenisstraf wegens genocide en misdaden tegen de menselijkheid. Daarmee werd Ríos Montt de eerste Latijns-Amerikaanse ex-president die door een nationale rechtbank veroordeeld is voor genocide of volkerenmoord. Volgens rechter Jazmin Barrios was het geweld tegen de Ixil niet spontaan, maar voorbereid. Het volk werd als vijand van de staat racistisch behandeld en als minderwaardig beschouwd.

Mensenrechtenactivisten en juristen beschouwden de uitspraak als historisch. Nooit eerder werd een staatshoofd door een gerecht in eigen land veroordeeld wegens volkerenmoord. Tot dan toe was dat enkel gebeurd in internationale gerechtshoven. Daarnaast werd het vonnis ook als belangrijk gezien voor de mensenrechten in Latijns-Amerika. Op 20 mei 2013 verklaarde het grondwettelijk hof de uitspraak echter nietig omwille van procedurefouten. De zaak zou opnieuw worden behandeld in januari 2015. Echter, in augustus 2015 besliste een tribunaal dat Ríos Montt en het voormalige hoofd van de militaire inlichtingendienst Mauricio Rodriguez terecht zouden staan in januari 2016, en dat de zitting achter gesloten deuren gehouden zou worden. Wegens de dementie van Ríos Montt werd hij niet meer in staat geacht de zitting bij te wonen, daarom zou hij vertegenwoordigd kunnen worden door een voogd. Gevangenschap zou niet meer opgelegd kunnen worden, eventueel wel gedwongen opname in een psychiatrische inrichting.

Aan de andere kant van de Stille Oceaan verschafte de CIA in 1965 het door de VS getrainde en gesteunde Indonesische leger lijsten met namen van hervormingsgezinde Indonesiërs die moesten worden vermoord. Volgens diplomatieke documenten was dit het begin van de geplande en succesvolle militaire machtsovername. In een paar weken tijd werden naar schatting tussen de 500.000 en 1 miljoen mensen op een vaak gruwelijke wijze vermoord. Tien jaar later viel het leger van het Soeharto-regime Oost-Timor binnen, een voormalige Portugese kolonie met aanzienlijke olie-reserves. Bij het daaropvolgende verzet tegen de Indonesische bezetter werd eenkwart tot eenderde van de Oost-Timorezen met Amerikaanse wapens uitgeroeid, gerekend naar het aantal inwoners de grootste genocide sinds de holocaust tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ik ben hier wat langer bij blijven stilstaan omdat deze feiten de ware achtergrond vormen van Ian Buruma’s lovende woorden over het ‘particular idea of Anglo-American exceptionalism’ dat ‘would keep the democratic world safe.’ Het spreekt voor zich dat wanneer de VS dezelfde misdaden  tegen witte Europeanen, Joodse Israeli’s of Amerikaanse staatsburgers had uitgelokt dan wel gesteund, opiniemaker Ian Buruma nooit een dergelijke formulering zou hebben gebruikt, hetgeen onvermijdelijk de vraag oproept: waarom niet? Wat is voor Buruma het wezenlijke verschil tussen bijvoorbeeld een arme Maya-vrouw uit Midden-Amerika en een rijke witte dame uit Washington of Den Haag? Deze terreur kan natuurlijk nooit een manifestatie zijn van een, ik citeer Buruma opnieuw, ‘betrekkelijk goedaardig imperialisme’ van de VS. Opvallend aan zijn formulering van ‘het veilig houden van de democratische wereld’ is dat die sprekend lijkt op de politieke slogan van de uitgesproken racistische en extreem imperialistische president Woodrow Wilson ‘to make the world safe for democracy.’ Net als het interventionisme van president Theodore Roosevelt was Wilson's imperialisme:

often backed by military force, but were more often effected from behind the scenes. This is consistent with the general notion of hegemony and imperium of historical empires. In 1898, Americans who opposed imperialism created the Anti-Imperialist League to oppose the US annexation of the Philippines and Cuba. One year later, a war erupted in the Philippines causing business, labor and government leaders in the US to condemn America's occupation in the Philippines as they also denounced them for causing the deaths of many Filipinos. American foreign policy was denounced as a ‘racket’ by Smedley Butler, a former American general…

Een ander belangrijk element dat Buruma verzwijgt is het feit dat de Amerikaanse interventies in met name het Midden-Oosten ‘de democratische wereld’ juist minder ‘veilig’ heeft gemaakt, gezien de aanslagen. De Amerikaanse onderzoeksjournalist Robert Dreyfuss, schreef hier gedetailleerd over in Devil's Game. How The United States Helped to Unleash Fundmentalist Islam (2006). Zijn boek werd door Chas W. Freeman, Jr., de voormalige Amerikaanse staatssecretaris van Defensie en oud-ambassadeur in Saoedi-Arabië aangeprezen als

a fluent tour de force -- Dreyfuss skilfully documents the misguided stratagems of generations of statesmen whose attempt to use the Islamic right to Western strategic advantage have helped make political Islam the formidable force it is today... Dreyfuss carefully researched and well-written story will be a revelation to experts on the Islamic world and a shock to concerned Americans.

Dreyfuss toont gedocumenteerd aan dat het 'fundamentalistisch terrorisme' een antwoord was op de westerse repressie en het massale geweld van het door het Westen gesteunde Israel. Datzelfde Westen, in samenwerking met de zogeheten 'Joodse staat,' steunt zelfs nu nog de ISIS- en Al Qaida-terroristen in Syrië. Over het waarom schrijft Robert Dreyfuss:

As during the Cold War, however, when the United States preferred Islamism to Arab nationalism, the Bush administration and its neoconservative allies have sometimes expressed their preference for the Islamic right, too... In Gaza and the West Bank, Ariel Sharon continued to toy with using Hamas, Islamic Jihad, and Hezbollah to undercut the PLO, and in 2006 Hamas emerged as the most powerful electoral force in Gaza.

Sinds het begin worden de islamitische fundamentalisten door het Westen gebruikt in de aloude koloniale politiek van verdeel en heers. De nationalisten in de islamitische landen waren destijds vooral links-georïenteerd, nationaliseerden de olie of andere vitale grondstoffen en ging dit tegen de belangen van de westerse concerns in. Bovendien probeerden nationalistische politici in de ontwikkelingslanden een onafhankelijke koers te varen als onderdeel van de Beweging van Niet-Gebonden Landen om zo onder de heerschappij van de grootmachten uit te komen. Naarmate de macht van de nationalisten steeds meer verzwakte als gevolg van hun corruptie, hun onvermogen om een halt toe te roepen aan de westerse kapitalistische uitbuiting, en de westerse militaire interventies groeide de macht en invloed van de religieuze fundamentalisten. Dreyfuss:

There is no question that the U.S. support for the mujahideen, most of which went to the hard-core Islamists, was a catastrophic miscalculation. It devastated Afghanistan itself, led to the collapse of its government, and gave rise to a landscape dominated by warlords, both Islamists and otherwise. It created a worldwide network of highly trained Islamist fighters from a score of countries, linked together and roughly affiliated to Osama bin Laden's soon-to-be established Al Qaeda organization. It left behind a shattered nation that played host to Al Qaeda and other assorted terrorist formation.

Ian Buruma mag dan wel menen dat het ‘succes’ van Trump en Farage ‘is dismaying precisely because it goes against a particular idea of Anglo-American exceptionalism,’ maar dat ‘Pax Americana, along with a unified Europe, would keep the democratic world safe,’ is te lang vol gehouden propaganda van iemand voor wie de feiten niet tellen en daarom leugens blijft verspreiden. Bovendien is de ‘Pax Americana,’ een ramp geweest voor alle landen die de Amerikaanse terreur over zich heen hebben gekregen, van Noord Korea en Vietnam tot Kongo, waar de eerste democratisch gekozen premier, Patrice Lumumba door een CIA-interventie werd vermoord, en Chili waar de democratisch gekozen president Salvador Allende om het leven kwam tijdens een door de CIA gesteunde militaire staatsgreep. En dit allemaal, volgens Buruma, kennelijk om ‘the democratic world safe’ te houden. Deze propaganda is obsceen en gevaarlijk omdat zij het Amerikaans militair-industrieel complex, waarvoor president Eisenhower al in 1961 waarschuwde, in feite legitimeert. Buruma’s voorstelling van zaken sluit naadloos aan bij een recente Pentagon studie. Onder de kop:

Pentagon study declares American empire is ‘collapsing’

REPORT DEMANDS MASSIVE EXPANSION OF MILITARY-INDUSTRIAL COMPLEX TO MAINTAIN GLOBAL ‘ACCESS TO RESOURCES,’

schreef de Britse auteur en onderzoeksjournalist Nafeez Ahmed op de website Insurgence Intelligencevan 17 juli 2017:

An extraordinary new Pentagon study has concluded that the U.S.-backed international order established after World War 2 is ‘fraying’ and may even be ‘collapsing,’ leading the United States to lose its position of ‘primacy’ in world affairs.

The solution proposed to protect U.S. power in this new ‘post-primacy’ environment is, however, more of the same: more surveillance, more propaganda (‘strategic manipulation of perceptions’) and more military expansionism.

The document concludes that the world has entered a fundamentally new phase of transformation in which U.S. power is in decline, international order is unravelling, and the authority of governments everywhere is crumbling.

Having lost its past status of ‘pre-eminence,’ the U.S. now inhabits a dangerous, unpredictable ‘post-primacy’ world, whose defining feature is ‘resistance to authority.’

Danger comes not just from great power rivals like Russia and China, both portrayed as rapidly growing threats to American interests, but also from the increasing risk of ‘Arab Spring’-style events. These will erupt not just in the Middle East, but all over the world, potentially undermining trust in incumbent governments for the foreseeable future.

The report, based on a year-long intensive research process involving consultation with key agencies across the Department of Defense and U.S. Army, calls for the U.S. government to invest in more surveillance, better propaganda through ‘strategic manipulation’ of public opinion, and a ‘wider and more flexible’ U.S. military.

The report was published in June by the U.S. Army War College’s Strategic Studies Institute to evaluate the DoD’s (Department of Defense. svh) approach to risk assessment at all levels of Pentagon policy planning. The study was supported and sponsored by the U.S. Army’s Strategic Plans and Policy Directorate; the Joint Staff, J5 (Strategy and Policy Branch); the Office of the Deputy Secretary of Defense for Strategy and Force Develop­ment; and the Army Study Program Management Office.

Collapse

‘While the United States remains a global political, economic, and military giant, it no longer enjoys an unassailable position versus state competitors,’ the report laments.

‘In brief, the sta­tus quo that was hatched and nurtured by U.S. strategists after World War II and has for decades been the principal “beat” for DoD is not merely fraying but may, in fact, be collapsing.’

The study describes the essentially imperial nature of this order as being underpinned by American dominance, with the U.S. and its allies literally ‘dictating’ its terms to further their own interests:

‘The order and its constituent parts, first emerged from World War II, were transformed to a unipolar sys­tem with the collapse of the Soviet Union, and have by-and-large been dominated by the United States and its major Western and Asian allies since. Status quo forces collectively are comfortable with their dominant role in dictating the terms of international security outcomes and resist the emergence of rival centers of power and authority.’

But this era when the U.S. and its allies could simply get their way is over. 

Observing that U.S. officials ‘naturally feel an obligation to preserve the U.S. global position within a favorable international order,’ the report concludes that this ‘rules-based global order that the United States built and sustained for 7 decades is under enormous stress.’

The report provides a detailed breakdown of how the DoD perceives this order to be rapidly unravelling, with the Pentagon being increasingly outpaced by world events. Warning that ‘global events will happen faster than DoD is currently equipped to handle,’ the study concludes that the U.S. ‘can no longer count on the unassailable position of dominance, supremacy, or pre-eminence it enjoyed for the 20-plus years after the fall of the Soviet Union.’

So weakened is U.S. power, that it can no longer even ‘automatically generate consistent and sustained local military superiority at range.’

It’s not just U.S. power that is in decline. The U.S. Army War College study concludes that:

‘[A]ll states and traditional political authority structures are under increasing pressure from endogenous and exogenous forces… The fracturing of the post-Cold War global system is accompanied by the in­ternal fraying in the political, social, and economic fabric of practically all states.’

But, the document says, this should not be seen as defeatism, but rather a ‘wakeup call.’ If nothing is done to adapt to this ‘post-primacy’ environment, the complexity and speed of world events will ‘increasingly defy [DoD’s] current strategy, planning, and risk assessment conventions and biases.’



Defending the ‘status quo’

Top on the list of forces that have knocked the U.S. off its position of global ‘pre-eminence,’ says the report, are the role of competing powers — major rivals like Russia and China, as well as smaller players like Iran and North Korea.

The document is particularly candid in setting out why the U.S. sees these countries as threats — not so much because of tangible military or security issues, but mainly because their pursuit of their own legitimate national interests is, in itself, seen as undermining American dominance.

Russia and China are described as ‘revisionist forces’ who benefit from the U.S.-dominated international order, but who dare to ‘seek a new distribution of power and authority commensurate with their emergence as legitimate rivals to U.S. dominance.’ Russia and China, the analysts say, ‘are engaged in a deliberate program to demonstrate the limits of U.S. authority, will, reach, influence, and impact.’

The premise of this conclusion is that the U.S.-backed ‘status quo’ international order is fundamentally ‘favorable’ for the interests of the U.S. and its allies. Any effort to make global order also work ‘favorably’ for anyone else is automatically seen as a threat to U.S. power and interests.

Thus, Russia and China ‘seek to reorder their position in the existing status quo in ways that  —  at a minimum  —  create more favorable circumstances for pursuit of their core objectives.’ At first glance there seems nothing particularly wrong about this. So the analysts emphasize that ‘a more maximalist perspective sees them pursuing advantage at the direct expense of the United States and its principal Western and Asian allies.’

Most conspicuous of all, there is little substantiation in the document of how Russia and China pose a meaningful threat to American national security.

The chief challenge is that they ‘are bent on revising the contemporary status quo’ through the use of ‘gray zone’ techniques, involving ‘means and methods falling far short of unambiguous or open provocation and conflict.’

Such ‘murkier, less obvious forms of state-based aggression,’ despite falling short of actual violence, are condemned — but then, losing any sense of moral high-ground, the Pentagon study advocates that the U.S. itself should ‘go gray or go home’ to ensure U.S. influence.

The document also sets out the real reasons that the U.S. is hostile to “revolutionary forces” like Iran and North Korea: they pose fundamental obstacles to U.S. imperial influence in those regions. They are:

‘… neither the products of, nor are they satisfied with, the contemporary order… At a minimum, they intend to destroy the reach of the U.S.-led order into what they perceive to be their legitimate sphere of influence. They are also resolved to replace that order locally with a new rule set dictated by them.’

Far from insisting, as the U.S. government does officially, that Iran and North Korea pose as nuclear threats, the document instead insists they are considered problematic for the expansion of the ‘U.S.-led order.’

Losing the propaganda war

Amidst the challenge posed by these competing powers, the Pentagon study emphasizes the threat from non-state forces undermining the ‘U.S.-led order’ in different ways, primarily through information.

The ‘hyper-connectivity and weaponization of information, disinformation, and dis­affection,’ the study team observes, is leading to the uncontrolled spread of information. The upshot is that the Pentagon faces the ‘inevitable elimination of secrecy and operational security.’

‘Wide uncontrolled access to technology that most now take for granted is rapidly undermining prior advantages of discrete, secret, or covert intentions, actions, or operations… In the end, senior defense leaders should assume that all defense-related activity from minor tactical movements to major military operations would occur completely in the open from this point forward.’

This information revolution, in turn, is leading to the ‘generalized disintegra­tion of traditional authority structures… fueled, and/or accelerated by hyperconnectivity and the obvious decay and potential failure of the post-Cold War status quo.’

Civil unrest

Highlighting the threat posed by groups like ISIS and al-Qaeda, the study also points to ‘leaderless instability (e.g., Arab Spring)’ as a major driver of ‘a generalized erosion or dissolution of traditional authority structures.’
The document hints that such populist civil unrest is likely to become prominent in Western homelands, including inside the United States.

‘To date, U.S. strategists have been fixated on this trend in the greater Middle East. However, the same forces at work there are similarly eroding the reach and authority of governments worldwide… it would be unwise not to recognize that they will mutate, metastasize, and manifest differently over time.’

The U.S. homeland is flagged-up as being especially vulnerable to the breakdown of ‘traditional authority structures’:

‘The United States and its population are increasingly exposed to substantial harm and an erosion of security from individuals and small groups of motivated actors, leveraging the conflu­ence of hyperconnectivity, fear, and increased vulner­ability to sow disorder and uncertainty. This intensely disorienting and dislocating form of resistance to author­ity arrives via physical, virtual, and psychological vio­lence and can create effects that appear substantially out of proportion to the origin and physical size or scale of the proximate hazard or threat.’

There is little reflection, however, on the role of the US government itself in fomenting such endemic distrust, through its own policies.

Bad facts

Among the most dangerous drivers of this risk of civil unrest and mass destabilization, the document asserts, are different categories of fact. Apart from the obvious ‘fact-free,’ defined as information that undermines ‘objective truth,’ the other categories include actual truths that, however, are damaging to America’s global reputation.
‘Fact-inconvenient’ information consists of the exposure of ‘details that, by implication, un­dermine legitimate authority and erode the relationships between governments and the governed’ — facts, for instance, that reveal how government policy is corrupt, incompetent or undemocratic.

‘Fact-perilous’ information refers basically to national security leaks from whistleblowers such as Edward Snowden or Chelsea Manning, ‘exposing highly clas­sified, sensitive, or proprietary information that can be used to accelerate a real loss of tactical, operational, or strategic advantage.’

‘Fact-toxic’ information pertains to actual truths which, the document complains, are ‘exposed in the absence of context,’ and therefore poison ‘important political discourse.’ Such information is seen as being most potent in triggering outbreaks of civil unrest, because it:

‘… fatally weakens foundational security at an international, regional, national, or personal level. Indeed, fact-toxic exposures are those likeliest to trigger viral or contagious insecurity across or within borders and between or among peoples.’

In short, the U.S. Army War College study team believe that the spread of ‘facts’ challenging the legitimacy of American empire is a major driver of its decline: not the actual behavior of the empire which such facts point to.



Mass surveillance and psychological warfare

The Pentagon study therefore comes up with two solutions to the information threat.

The first is to make better use of U.S. mass surveillance capabilities, which are described as ‘the largest and most sophisticated and inte­grated intelligence complex in world.’ The U.S. can ‘generate insight faster and more reliably than its competitors can, if it chooses to do so.’ Combined with its ‘military forward presence and power projection,’ the U.S. is in ‘an enviable position of strength.’

Supposedly, though, the problem is that the U.S. does not make full use of this potential strength:

‘That strength, however, is only as durable as the United States’ willingness to see and employ it to its advantage. To the extent that the United States and its defense enterprise are seen to lead, others will follow…’

The document also criticizes U.S. strategies for focusing too much on trying to defend against foreign efforts to penetrate or disrupt U.S. intelligence, at the expense of ‘the purposeful exploitation of the same architecture for the strategic manipulation of perceptions and its attendant influence on political and security outcomes.’

Pentagon officials need to simply accept, therefore, that:

‘… the U.S. homeland, individual American citizens, and U.S. public opinion and perceptions will increasingly become battlefields.’

Military supremacy

Having mourned the loss of U.S. primacy, the Pentagon report sees expanding the U.S. military as the only option.

The bipartisan consensus on military supremacism, however, is not enough. The document demands a military force so powerful it can preserve ‘maximum freedom of action,’ and allow the U.S. to ‘dictate or hold significant sway over outcomes in international disputes.’

One would be hard-pressed to find a clearer statement of imperial intent in any U.S. Army document:

‘While as a rule, U.S. leaders of both political parties have consistently committed to the maintenance of U.S. military superiority over all potential state rivals, the post-primacy reality demands a wider and more flexible military force that can generate ad­vantage and options across the broadest possible range of military demands. To U.S. political leadership, maintenance of military advantage preserves maximum freedom of action… Finally, it allows U.S. decision-makers the opportunity to dictate or hold significant sway over outcomes in international disputes in the shadow of significant U.S. military capability and the implied promise of unac­ceptable consequences in the event that capability is unleashed.’

Once again, military power is essentially depicted as a tool for the U.S. to force, threaten and cajole other countries into submission to U.S. demands.

The very concept of ‘defense’ is thus re-framed as the capacity to use overwhelming military might to get one’s way — anything which undermines this capacity ends up automatically appearing as a threat that deserves to be attacked.

Empire of capital

Accordingly, a core goal of this military expansionism is ensuring that the United States and its international partners have ‘unimpeded access to air, sea, space, cyberspace, and the electromagnetic spectrum in order to underwrite their security and prosperity.’

This also means that the U.S. must retain the ability to physically access any region it wants, whenever it wants:

‘Failure of or limitations on the ability of the United States to enter and operate within key regions of the world, for example, undermine both U.S. and partner security.’

The U.S. thus must try to minimize any ‘purposeful, malevolent, or incidental interruption of access to the commons, as well as critical regions, resources, and markets.’

Without ever referring directly to ‘capitalism,’ the document eliminates any ambiguity about how the Pentagon sees this new era of ‘Persistent Conflict 2.0’:

‘… some are fighting globalization and globalization is also actively fighting back. Combined, all of these forces are rending at the fabric of security and stable governance that all states aspire to and rely on for survival.’

This is a war, then, between US-led capitalist globalization, and anyone who resists it.

And to win it, the document puts forward a combination of strategies: consolidating the U.S. intelligence complex and using it more ruthlessly; intensifying mass surveillance and propaganda to manipulate popular opinion; expanding U.S. military clout to ensure access to ‘strategic regions, markets, and resources.’
Even so, the overarching goal is somewhat more modest — to prevent the U.S.-led order from collapsing further:

‘… while the favorable U.S.-dominated status quo is under significant internal and external pressure, adapted American power can help to forestall or even reverse outright failure in the most critical regions.’

The hope is that the U.S. will be able to fashion ‘a remodeled but nonetheless still favorable post-primacy international order.’

Narcissism

Like all U.S. Army War College publications, the document states that it does not necessarily represent the official position of the U.S. Army or DoD. While this caveat means that its findings cannot be taken to formally represent the U.S. government, the document does also admit that it represents ‘the collective wisdom’ of the numerous officials consulted.

In that sense, the document is a uniquely insightful window into the mind of the Pentagon, and how embarrassingly limited its cognitive scope really is.

And this in turn reveals not only why the Pentagon’s approach is bound to make things worse, but also what an alternative more productive approach might look like.



Launched in June 2016 and completed in April 2017, the U.S. Army War College research project involved extensive consultation with officials across the Pentagon, including representatives of the joint and service staffs, the Office of the Secretary of Defense (OSD), U.S. Central Command (USCENTCOM), U.S. Pacific Command (USPACOM), U.S. Northern Command (USNORTHCOM), U.S. Special Operations Command (USSOCOM); U.S. Forces, Japan (USFJ), the Defense Intelligence Agency (DIA), the National Intelligence Council, U.S. Strategic Command (USSTRATCOM), and U.S. Army Pacific [US­ARPAC] and Pacific Fleet [PACFLT]).

The study team also consulted with a handful of American think-tanks of a somewhat neoconservative persuasion: the American Enterprise Institute, the Center for Strategic and International Studies (CSIS), the RAND Corporation, and the Institute for the Study of War.

No wonder, then, that its findings are so myopic (kortzichtig. svh).

But what else would you expect from a research process so deeply narcissistic, that it involves little more than talking to yourself? Is it any wonder that the solutions offered represent an echo chamber calling to amplify precisely the same policies that have contributed to the destabilization of U.S. power?

The research methodology manages to systematically ignore the most critical evidence surrounding the drivers undermining U.S. primacy: such as, the biophysical processes of climate, energy and food disruption behind the Arab Spring; the confluence of military violence, fossil fuel interests and geopolitical alliances behind the rise of ISIS; or the fundamental grievances that have driven a breakdown in trust with governments since the 2008 financial collapse and the ensuing ongoing period of neoliberal economic failure.

A large body of data demonstrates that the escalating risks to U.S. power have come not from outside U.S. power, but from the very manner in which U.S. power has operated. The breakdown of the U.S.-led international order, from this perspective, is happening as a direct consequence of deep-seated flaws in the structure, values and vision of that order.

In this context, the study’s conclusions are less a reflection of the actual state of the world, than of the way the Pentagon sees itself and the world.

Indeed, most telling of all is the document’s utter inability to recognize the role of the Pentagon itself in systematically pursuing a wide range of policies over the last several decades which have contributed directly to the very instability it now wants to defend against.

The Pentagon frames itself as existing outside the Hobbesian turmoil that it conveniently projects onto the world — the result is a monumental and convenient rejection of any sense of responsibility for what happens in the world.

In this sense, the document is a powerful illustration of the self-limiting failure of conventional risk-assessment approaches. What is needed instead is a systems-oriented approach based on evaluating not just the Pentagon’s internal beliefs about the drivers of risk — but engaging with independent scientific evidence about those drivers to test the extent to which those beliefs withstand rigorous scrutiny.

Such an approach could open the door to a very different scenario to the one recommended by this document — one based on a willingness to actually look in the mirror. And that in turn might open up the opportunity for Pentagon officials to imagine alternative policies with a real chance of actually working, rather than reinforcing the same stale failed strategies of the past.

It is no surprise then that even the Pentagon’s apparent conviction in the inexorable decline of U.S. power could well be overblown.

According to Dr Sean Starrs of MIT’s Center for International Studies, a true picture of U.S. power cannot be determined solely from national accounts. We have to look at the accounts of transnational corporations.

Starrs shows that American transnational corporations are vastly more powerful than their competitors. His data suggests that American economic supremacism remains at an all-time high, and still unchallenged even by an economic powerhouse like China.

This does not necessarily discredit the Pentagon’s emerging recognition that U.S. imperial power faces a new era of decline and unprecedented volatility.

But it does suggest that the Pentagon’s sense of U.S. global pre-eminence is very much bound up with its capacity to project American capitalism globally.

As geopolitical rivals agitate against U.S. economic reach, and as new movements emerge hoping to undermine American “unimpeded access” to global resources and markets, what’s clear is that DoD officials see anything which competes with or undermines American capitalism as a clear and present danger.

But nothing put forward in this document will actually contribute to slowing the decline of U.S. power.

On the contrary, the Pentagon study’s recommendations call for an intensification of the very imperial policies that futurist Professor Johan Galtung, who accurately forecasted the demise of the USSR, predicts will accelerate the ‘collapse of the U.S. empire’ by around 2020.

As we move deeper into the ‘post-primacy’ era, the more meaningful question for people, governments, civil society and industry is this: as the empire falls, lashing out in its death throes, what comes after?

Belangrijk tenslotte is te weten dat dr. Nafeez Ahmed geen broodschrijver is die zich, zoals Buruma, moet aanpassen aan de smaak en vooroordelen van een westers mainstream-publiek, maar een ‘award-winning 16-year investigative journalist’ is ’and creator of INSURGE intelligence, a crowdfunded public interest investigative journalism project.’  Vanuit die positie kan hij kritisch berichten over de macht en haar drijfveren, en over de essentie van elk imperialisme, en dus ook dat van de Verenigde Staten, met zijn 'particular idea of Anglo-American exceptionalism.’ 

Overigens dient het door Buruma gebruikte begrip ‘exceptionalism’ enige toelichting. In de introductie van de essaybundel The Rhetoric of American Exceptionalism (2011) stellen de Amerikaanse hoogleraren David Weiss en Jason A. Edwards dat

American exceptionalism is the distinct belief that the United States is unique, if not superior, when compared to other nations. Champions of American exceptionalism hold that because of its national credo, historical evolution, and unique origins, America is a special nation with a special role – possibly ordained by God – to play in human history. The belief in American exceptionalism is a fundamental aspect of U.S. cultural capital and national identity. It is an essential part of America’s political, cultural, and social DNA. Deborah Madsen has argued that American exceptionalism has always ‘offered a mythological refuge from the chaos of history and the uncertainty of life…' To believers in American exceptionalism, the United States continues to move in constant upward pattern, remaining the beacon of light in the darkness and the defender of the rights of man as long as the nation exists. Moreover, America and Americans are exceptional because they are charged with saving the world from itself; at the same time, America and Americans must maintain a high level of devotion to this destiny. Ultimately, champions of American exceptionalism argue that American exceptionalism functions to order Americans’ universe and define their place in it.

The rhetoric of American exceptionalism permeates every period of American history… American exceptionalism has been fundamental to political rhetoric, serving as the foundation for the doctrine of Manifest Destiny, which was used to justify the Mexican, Spanish–American, and Vietnam wars as well as the westward expansion of U.S. sovereignty across the American continent.

In de praktijk heeft dit ‘exceptionalism’ het leven gekost van miljoenen Indianen en andere niet-Amerikanen, en rechtvaardigt het nog steeds de Amerikaanse — soms zelfs — genocidale politiek. Vanuit het hierboven beschreven perspectief dient de lezer Buruma’s opvatting te interpreteren dat het ‘success’ van Trump en Farage ‘onthutsend is juist omdat het tegen een speciaal denkbeeld indruist van het Anglo-Amerikaans exceptionalisme,’ namelijk dat de ‘Pax Americana, along with a unified Europe, would keep the democratic world safe.’ Dat dit ten koste ging en nog steeds gaat van een groot deel van de overige wereldbewoners is een zaak die door de elite en haar woordvoerders als Ian Buruma niet vermeldenswaardig beschouwd wordt. Een dergelijke discretie wordt door de elite op prijs gesteld, zoals op de foto hieronder blijkt.